silke

Dapper

Daar ben ik weer. Na een nogal lange tijd van afwezigheid. Ik had andere dingen te doen, zoals zwanger zijn, moe zijn, al het mogelijke doen om een iets te kleine baby groot genoeg te laten worden (wat in de praktijk dus neerkomt op veel pillen slikken en juist heel weinig doen). En nu is ze er dus. Onze Silke Julia. Zo’n twee weken geleden geboren in heel andere omstandigheden dan de heftige crisis waarin Evi een paar jaar geleden ter wereld kwam. Volgens mij waren mijn eerste woorden na de – geplande – keizersnee, behalve “Wow, daar is ze dan” en een paar snikken en tranen: “Zo kan het dus ook!”

Ik ben hevig verliefd op dit meisje, en ook op haar naam. Silke heeft eigenlijk twee betekenissen . Het hangt er een beetje vanaf of je voor de Duitse of de Friese variant gaat. Het betekent namelijk zowel ‘hemels’ als ‘overwinning’. En pragmatisch als we zijn, hebben mijn man en ik besloten dat het dus gewoon een combi is, en dat deze pittige kleine dame een hemelse overwinning is. Een soort statement naar de wereld toe: samen met God durfden we dit avontuur aan te gaan, en hoe spannend het ook was – en is – samen met God vieren we dat we een gezond kindje hebben, en niet onbelangrijk: een gezonde mama.

Toen ik 27 weken zwanger was had ik een heel raar en dubbel gevoel. Evi werd geboren met 27,2 weken zwangerschap. Dit was de mijlpaal der mijlpalen. Alles na de 27 weken was nieuw, anders, elke dag erbij een mini overwinning. Ik grapte weleens dat ik juichend alle kwaaltjes voor lief nam. En daar moest ik mezelf, kijkend naar mijn dikke voeten die niet eens meer in mijn slippers pasten, of wakker van het brandend maagzuur, af en toe even flink aan herinneren.  In die week las ik toevallig (helemaal niet toevallig natuurlijk) Psalm 27, waar in de Engelse variant heel mooi staat “I will see the goodness of the Lord in the land of the living.” Dat was mijn houvast, en bleef het tot die mooiste mijlpaal van 39 weken zwangerschap: de geplande geboortedatum van Silke.

En toch is het ook pittig. Dacht ik dat ik tijdens de zwangerschap moe was, dan is het nu ongeveer honderd keer zo heftig. Ik zag er zo naar uit om alle eerste keren te ervaren: een gezonde baby na een paar daagjes bijkomen in het ziekenhuis gewoon mee naar huis nemen, meemaken dat de baby zelf wil drinken, een week lang kraamzorg, het eerste wandelingetje na de keizersnee samen met baby en kleuter naar de speeltuin (in plaats van in een rolstoel van het Ronald McDonaldhuis naar het ziekenhuis gebracht worden om even te mogen knuffelen, als ik geluk had). Ongeveer dagelijks vraag ik me af: ‘Hoe dóen mensen dit in vredesnaam!?’ Hormonen die van gekkigheid niet weten waar ze heen moeten, tranen met tuiten, meer onzekerheid dan al mijn examens ooit bij elkaar. Wat nou roze wolk?

Stapje voor stapje leer ik voor dit kleine mensje zorgen. Ik leer door wat ik mezelf hoor zeggen tegen Evi. Die stoere kleuter die begin van dit schooljaar voor het eerst naar school ging. Dat vond, en vindt, ze soms supereng. Maar ze gaat, en komt meestal stralend – en doodmoe – thuis. Regelmatig zeg ik tegen haar: “Als je bang bent, moet je soms dapper zijn.” We hebben haar al vanaf dat ze kon praten ons mantra geleerd: “Evi is sterk, stoer en dapper.” Een soort eigen variant op die mooie quote uit The Help, “You is kind, you is smart, you is important.”

De afgelopen jaren heb ik volop de kans gehad om te leren dat dapper zijn niet betekent dat je niet bang bent. Het betekent niet dat je niet kwetsbaar bent, of onzeker. Het betekent dat je jezelf laat zien. Dat je ondanks de angst een stap in de goede richting durft te zetten.  Zoals Evi soms met knikkende knieën naar school gaat (niet dat ze de keuze heeft om thuis te blijven, maar toch…) en al liedjes zingend weer thuis komt, zo ga ik ook met knikkende knieën dit nieuwe moederschap tegemoet. En met wallen onder mijn ogen. Maar die schijnen erbij te horen.

Misschien tijd voor een Moedige Mama’s serie 2? Dan doe ik bij deze zelf de aftrap…

 

 

603256_501522903215146_836184365_n

Nooit meer een killer body – een blog voor World Pre-Eclampsia Day

Vanochtend opende ik in een onbewaakt ogenblik ergens tussen ontbijt en werk mijn facebook account – ik vergeet namelijk steeds dat ik die eigenlijk van mijn telefoon wilde verwijderen.

Nog voor ik goed en wel met mijn ogen kon knipperen, verschenen er drie artikelen op mijn schermpje. Iets over of ik al bikini-proof ben, een artikel over World Pre-Eclampsia Day, en een betoog over het wel of niet willen hebben van een killer body. Lekker begin van de dag, met mijn broodje hagelslag net achter de kiezen.

Ik ben vast niet de enige die het opvalt dat er wel érg veel artikelen over het vrouwelijk lijf gaan. Hoewel het vast iets te maken met mijn instellingen en cookies (letterlijk en figuurlijk), dus wellicht verraadt het vooral wat mij blijkbaar bezighoudt. Oeps.

Bikinilijf

Over dat bikinilijf kan ik kort en krachtig zijn. Ik heb vorige week net een heuse tankini besteld bij de Wehkamp. Toen ik hem vers uit de verpakking voor me hield dacht ik vooral: “Ik hoop dat hij niet past, want mán wat moet je voor dit bikinibroekje blijkbaar een reusachtig achterwerk hebben.” Uiteraard paste het perfect en stond het nog leuk ook. Ik heb er overigens wel een flinke buik in. Maar dat kan ook te maken hebben met het feit dat ik 22 weken zwanger ben, en dat zo’n buik er dan min of meer bij hoort. Het heeft ook wel iets comfortabels inmiddels. Ik ben voorbij de ongemakkelijke fase waarin mensen zich afvragen of die prachtige rondingen komen door grote hoeveelheden pizza en chocola, of dat er sprake is van eh, verzachtende omstandigheden. Maar goed, ik zou kort en krachtig zijn: ik heb een lijf. En ik heb een bikini. Dus dat bikinilijf: check.

Wat me meer raakte was het zoveelste discussie artikel over dat killer body. Ik dacht eerlijk gezegd dat de hype alweer een beetje over was. Dat we met z’n allen hadden besloten dat een perfect strak lichaam, onwaarschijnlijk veel sporten en hopeloos weinig calorieën eten niet het belangrijkste in het leven was. Maar toch steekt het nog af en toe de kop op. En toen ik de term killer body las in hetzelfde schermpje als het artikel over World Pre-Eclampsia Day werd ik ineens even heel boos.

HELLP!

Misschien zeggen  de termen pre-eclampsie of HELLP syndroom je niet veel. Dat kan zelfs heel goed en is juist een van de redenen dat er een speciale dag is uitgeroepen om ze onder de aandacht te brengen. We hebben het hier namelijk over een bijzonder heftige zwangerschapscomplicatie, die zo’n 1 op de 20 zwangere vrouwen treft. Vroeger was pre-eclampsie ook wel bekend als zwangerschapsvergiftiging (eng woord hè?),  een combinatie van factoren die ervoor zorgen dat zowel de moeder als de baby ernstige risico’s lopen. Het kan alleen optreden, of overgaan in het HELLP syndroom. Als je daar meer over wilt weten, kijk vooral even hier:

 

 

 

Tijdens mijn vorige zwangerschap werd ik er, omdat ik de symptomen niet herkende en mijn omgeving en zelfs de verloskundige eigenlijk ook niet, met 27 weken door overvallen. Van de ene op de andere dag was ik doodziek, en voor ik het wist lag ik in een ambulance richting een academisch ziekenhuis. Nog geen 12 uur later was mijn dochter er – ze moest wel geboren worden, omdat ik het zelf anders niet had overleefd. De nasleep was heftig en duurde lang. Het is nogal een combinatie om zelf zo ziek te zijn en daarnaast een piepkleine premature baby te hebben die maandenlang in het ziekenhuis moet blijven en ook daarna nog flink wat uitdagingen voorgeschoteld krijgt.

Pech gehad?

En nu ben ik dus weer zwanger. Het is niet toevallig dat het 4 jaar duurde voor ik het weer aandurfde. Terugkijkend was het rond deze termijn dat ik ziek begon te worden. Maar zoals ik al schreef, ik had het zelf niet echt door. Ik dacht gewoon dat ik pech had dat de misselijkheid nooit overging. Dat migraine af en toe gewoon voorkwam. Dat ik misschien toevallig een paar keer achter elkaar iets had dat voelde als griep. Ik dacht dat het een kwestie van jammer was dat mijn buik niet hard groeide maar mijn gezicht wel opzwol. Gelukkig ervaar ik nu niks van dat alles – en word ik enorm in de gaten gehouden door allemaal witte jassen die samen met mij willen voorkomen dat ik nog een keer door zo’n hel moet.

Liever leven

Ik had letterlijk een killer body. Een lijf dat vocht tegen zichzelf, en tegen het lieve kleine meisje dat tegen alles in probeerde te groeien en te overleven. Een lijf dat het bijna niet gered had, en na die heftige ervaring ook nooit meer helemaal ‘de oude’ is geworden.

Vanochtend wist ik het ineens: ik wil nooit meer een killer body. Ik wil juist een lichaam dat leven gééft. Ik wil een veilige omgeving zijn voor het meisje dat ik nu zachtjes voel schoppen. Een lijf als thuis voor een nieuw leven dat nog helemaal tot bloei mag komen. En als ze er eenmaal is, wil ik dat datzelfde lijf nog steeds voelt als een veilige thuishaven. Liever lief en zacht, mooi en mama.

Ik wil leven, knuffelen, stoeien, borstvoeding kunnen geven, genieten en mét een paar rondingen die extra goed uitkomen in zo’n leuke bikini. Of gewoon een fleurig zomerjurkje. Vanaf vandaag ga ik voor een nieuwe term: een leeflijf.

18275087_1902847839992404_7759935407835201248_n

Hoera voor een nieuw project!

Het is even een tijdje stil geweest hier. Dat is niet helemaal toevallig. Ik was namelijk (en ben nog steeds) bezig met een ander project dat flink veel energie kost, maar hopelijk heel wat oplevert.

Ik noem het: ‘baby nummer 2’.

Wie mijn blogs soms volgt, weet misschien dat mijn eerste zwangerschap erg pittig was, dat ik ziek werd en Evi veel te vroeg werd geboren. Daarom is het nu extra spannend en word ik in het door allemaal mensen met witte jassen nauwlettend in de gaten gehouden. Dat is ook de reden dat we even gewacht hebben met een grootse aankondiging: eerst was er tijd nodig om te wennen aan deze zwangerschap, wat vertrouwen te krijgen en heel veel te slapen (écht veel te slapen).

Nu ik zo’n 20 weken onderweg ben en het absoluut niet meer kan verstoppen mag iedereen het weten, en probeer ik af en toe weer wat te schrijven. Hoef ik ook niet meer bang te zijn dat ik in een blog mijn ‘mond voorbijpraat’…

Intussen verdiept Evi zich in de bibliotheek vast in haar huiswerk voor de komende tijd.

IMG_2684

Neonletters in de mist

Het was mistig. Zo mistig dat ik het gevoel had dat ik de druppels opzij moest duwen, alsof ik door een dikke wolk fietste. Ook was het koud genoeg om behoorlijk ongemotiveerd naar buiten te gaan – als ik niet had afgesproken met een lieve vriendin, zou ik zo lang mogelijk met een dekentje op de bank zijn blijven zitten.

We hadden afgesproken in wat heel wat jaartjes mijn favoriete cafe (als je er vooral koffie drinkt mag je het denk ik geen stamkroeg noemen?) was in Amsterdam, vlakbij het station. Ook in de grote stad hingen de wolken laag. Mijn peuter zou zeggen: “Mama, de lucht is helemaal wit geworden!”

Zo aan het eind van het jaar lijken mijn gedachten ook niet zo helder. Het was weer zo’n jaar: veel gebeurd, veel nagedacht, gelezen, geloofd, getwijfeld, gepraat en gezwegen. Ik ben weleens een beetje jaloers op mensen die alles zo lekker overzichtelijk lijken te hebben: aan het begin van het jaar een paar goede voornemens en duidelijke doelen, aan het eind van het jaar alles evalueren en met een bijgesteld plan het nieuwe jaar in. Of bestaan die mensen alleen op social media?

Mijn bijbelleesrooster was half januari al kwijt, mijn geloofsleven soms getekend door twijfel en dan weer door enthousiasme. Mijn plannen om in de kerstvakantie eens lekker de tijd te nemen om mijn leven op een rijtje te zetten en tegelijkertijd de rommel in huis op te ruimen werden onderbroken door triviale zaken als familiebezoek, gezelligheid, knutselen met de peuter en veel naar buiten. En stiekem ook wat Netflix. O wacht, niks triviaals aan eigenlijk: dat is juist al het fijne van vakantie! Maar goed, eind 2017 is mijn hoofd, mijn huis en mijn leven dus niet overzichtelijker dan aan het begin.

Daarover mijmerend liep ik vanaf het Centraal Station richting het cafe. Al vanaf het stationsplein zag ik de neonletters bovenop het gebouw oplichten, zelfs door de mist: “GOD ROEPT U – JESUS LOVES YOU.”

De eerste woorden stammen nog uit de tijd dat het gebouw gebruikt werd door het Leger des Heils, zo op de hoek van de wallen. Vanaf de jaren ’80 – na een flinke tijd leegstand – kwam het in het bezit van zendingsorganisatie Jeugd met een Opdracht. Dat herstelde de letters in hun oude glorie en voegde er de tweede zin aan toe. Als een boodschap aan de stad.

Al wel duizend keer heb ik die letters gezien. Meestal vallen ze me niet eens op. Ze doen me niet zo veel. Soms, door de ogen van toeristen die ik meeneem, zie ik ze weer even. “O ja, het JESUS LOVES YOU gebouw, dat is waar ook.”

Maar vandaag raakten de woorden me, in al hun eenvoud. Misschien is dit wel het enige dat ik echt hoef te weten. God roept mij. Niet met een harde donderstem uit de hemel, niet met een grootste en meeslepende opdracht of ‘roeping’. Maar Hij zoekt wel mijn aandacht. Hij reikt uit om contact te maken. En ik ervaar het als een vraag: “Ben je wakker? Ben je erbij? Let je op? Ben je echt aanwezig?” En dan de simpele boodschap dat Jezus van me houdt. Zo vaak gehoord dat het bijna cliché klinkt. Maar ik heb het nodig. Ik moet er af en toe aan herinnerd worden dat mijn identiteit verweven is met de liefde van God. Dat ik in alle onzekerheid en onduidelijkheid mag weten dat ik geliefd ben, dat ik gezien word. Nog voordat ik een lijstje maak met goede voornemens of dingen die ik wil bereiken.

Het doet me denken aan het verhaal in Matteüs 3, over de doop van Jezus. Nog voordat Jezus ook maar een wonder verrichtte, liet hij zich door Johannes de Doper onderdompelen in de Jordaan. Zodra hij boven water komt, scheurt de hemel open (ik stel me een mistige dag door, waar opeens de zon doorbrak), daalt er een duif neer en hoort iedereen een stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde!”

Jezus wist zich geroepen door de Vader, leefde met volledige aandacht en aanwezigheid, en nog voordat hij die roeping ten volle uitleefde, wist hij zich geliefd.

Of het nou een open hemel, en stem en een duif is, of dat het neonletters zijn in de mist, God weet als het nodig is altijd de aandacht te trekken. En mijn enige echte voornemens zijn om naar die stem te luisteren, en in neonletters in mijn gedachten te houden dat Hij me zoekt en van me houdt.

Gelukkig 2017!

the-amsterdam-project

The Amsterdam Project: waarom ik erin geloof

Beau heeft het voor elkaar. De afgelopen weken ben ik stukje bij beetje steeds meer van hem gaan houden.

Toen zijn programma ‘The Amsterdam Project’ een maand of anderhalf geleden begon, was ik skeptisch. Een realityserie waarin mensen geholpen worden met een smak geld, dit keer een aantal daklozen, dat is toch al een uitgemolken concept? Lekker inzoomen op het drama, en dan dankbaar en huilend de weldoener omhelzen. Eind goed, al goed. Juist ook door mijn werk in de Maatschappelijke Opvang, was ik een kritische kijker. Hoe zou deze wereld afgeschilderd worden? Ik was bang voor gebrek aan realisme, en voor het stigmatiseren van een enorm complexe doelgroep, alleen uit commercieel belang.

Huiltelevisie?

Voor wie niet gekeken heeft: dit programma blijkt anders in elkaar te zitten. Misschien omdat het in nauwe samenwerking met Rokus Loopik (binnen de Amsterdamse hulpverlening en ver daarbuiten een soort beroemdheid) en het Leger des Heils is, misschien vanwege de betrokken maar verre van dweperige Beau. Maar zeker ook door de selectie van ‘kandidaten’. Het concept is eenvoudig – vier Amsterdamse daklozen krijgen een smak geld, en toegang tot een aantal coaches/hulpverleners, en we kijken toe hoe ze zichzelf gaan helpen. Overigens niet helemaal nieuw, en in het buitenland al bewezen effectief.

Het verschil met wat we al kennen aan hulpverlening is groot. Juist omdat het nu eens niet uitgaat van wat hulpverleners vinden en van welke programma’s er beschikbaar zijn. De deelnemer is zélf verantwoordelijk. En mag dus echt zelf kiezen waar het geld aan besteed wordt. En we zien allemaal dat zoiets niet altijd positief uitpakt…

Tijdens het kijken komen er allerlei vragen bij me op. Hoe zijn de deelnemers geselecteerd? Op zieligheid? Kans van slagen? Of ze mediageniek genoeg waren? In ieder geval is Beau – of de redactie – erin geslaagd een enorm gevarieerde groep mensen te vinden. En daar hebben ze goed aan gedaan. Want als het programma ergens in slaagt, is het wel het laten zien dat vrij weinig daklozen voldoen aan het stereotype beeld van een man met een lange baard die slaapt onder een kartonnen doos. Door de afleveringen heen, leer je ze steeds beter kennen. Ik heb steeds gekeken met Twitter binnen handbereik en hashtag #theamsterdamproject op refresh. Want ik wilde weten hoe hier naar gekeken werd. De reacties waren soms hartverwarmend, soms verschrikkelijk. De deelnemers werden zielig gevonden, of een slappe zak, een eikel, een klaploper. Er werd hen een gratis huis toegewenst, of (in het geval van Alan en Marco) een schop onder hun kont. Wat me opviel: hoe groter de gunfactor, hoe milder de taal.

De gunfactor bestaat niet, toch?

In de echte wereld doet de gunfactor er niet toe. Dat wil zeggen, dat zou niet zo moeten zijn. Maar om heel eerlijk te zijn is dat soms lastig. Mijn werk bestaat voor een groot deel uit intakegesprekken houden met mensen die vanwege hun dakloosheid aankloppen bij het Leger des Heils. En die mensen zijn net zo verschillend als deze groep. Sommigen zou je vooral een dikke knuffel willen geven, maar er zijn er ook bij waar ik weinig warme gevoelens voor heb. Iemand die vindt dat ‘die asielzoekers maar weg moeten, want ze pikken onze huizen in’, of iemand die dakloos is geworden vanwege huiselijk geweld – en dan niet als slachtoffer. Hoe kijk je dan met betrokkenheid, maar ook professioneel naar de situatie?

Beau doet in ieder geval zijn best. Hij is echt, hij is betrokken, soms tot slapeloze nachten aan toe. En daarin herken ik wel iets. Ik voel ook de frustratie van iemand willen helpen, die zelf andere keuzes maakt. Ik loop ook tegen bureaucratische papierwinkels aan, alleen maar omdat iemand geen inschrijfadres heeft. Ik denk dat hij in de afgelopen weken – die in werkelijkheid  meer dan een jaar aan materiaal weergeven, heeft gezien dat het bijna nooit volledig ‘eigen schuld’ is. En tegelijkertijd heeft iedereen ook eigen verantwoordelijkheid. Daarom raakt het me dat de 68-jarige Lolle meer dan 10 jaar buiten geleefd heeft, en dan uiteindelijk “met opgewekte tegenzin” bij het Leger des Heils woont. Het inspireert me dat Cheyenne anderen wil helpen door de ervaring die zij inmiddels heeft. Het maakt me boos dat Marco zo bang is voor schuldeisers dat hij zijn net betrokken huisje weer verlaat en kiest voor een zwervend bestaan. Ik word verdrietig dat Alan breekt met zijn moeder, die zelf zo haar best doet om haar zoon te geven wat hij nodig heeft. En ik doe een klein vreugdedansje als ik Gerrie eindelijk een vrachtwagen zie besturen, al lijkt het dat hij er zelf nog niet zo in gelooft.

Gezonde nieuwsgierigheid

Veel dingen zie je niet. En dat is misschien juist wel goed. Daardoor ga je vragen stellen. Hoe zou het verder gaan? Hoe zijn de deelnemers tot hun keuzes gekomen? Wat motiveert ze? Waardoor laten ze zich uit het veld slaan?

Ik hoop dat ik dat als hulpverlener mee mag nemen. Ik wil altijd nieuwsgierig blijven. En al ben ik niet onvermoeibaar, ik wil altijd de mens achter de problemen blijven zien. En waar die mens juist is kwijtgeraakt, mijn best doen om er weer iets van te vinden. Dat is herstel.

Dat de laatste scene een tranentrekkende omhelzing is tussen Lolle en Beau is hen vergeven. Ik val er zelfs volledig voor. En stiekem huil ik ook een beetje mee. Hulpverleners zijn net mensen.