B22230B6-E815-4CD6-BAEF-680E34CB25D1

God onze Moeder

De glorie en het ‘gedoe’ rond moederschap, ik ontkom er niet aan! Steeds neem ik me voor om over allerlei andere dingen te schrijven, maar steeds kom ik hierbij terug. Iets met ‘waar het hart vol van is’…

Daarom volgt binnenkort weer een serie Moedige Mama’s. Daarin hoop ik je te inspireren en bemoedigen met verhalen van vrouwen over hun avonturen en uitdagingen, hun overtuigingen, vragen en twijfels.

Zelf werd ik pas enorm geraakt door deze tekst. Ik hoorde hem als spoken word in een podcast en het liet me niet meer los. Ik dacht erover de tekst te vertalen, maar toen bleek iemand me voor te zijn geweest! Hopelijk zet het jou ook aan het denken over Wie God is, en wat de onschatbare waarde van moederschap is, of je nu eigen kinderen hebt of niet.

 

IMG_5011

Lekker vasthouden

Loslaten is niet mijn sterkste kant. Daar werd ik gisteravond tijdens een liefdevolle maar stevige schoudermassage weer aan herinnerd door mijn immer knedende echtgenoot. Ik maak me over te veel dingen zorgen. Ik denk altijd drie stappen vooruit over wat er allemaal mis zou kunnen gaan. En sinds ik weer een baby heb, vind ik het bijzonder moeilijk om niet op elk huiltje, zuchtje en kreuntje te reageren – terwijl ik dit schrijf kijk ik af en toe angstvallig naar de babyfoon.

Het is een beetje een toverwoord lijkt het wel, dat ‘loslaten’. Elke therapeut noemt het, de Happinezz en de FLOW schrijven erover, iedereen die ook maar een béétje een burn-out heeft gehad (en wie is dat nou niet) kan het woord bijna niet meer horen. “Als je los laat, heb je twee handen vrij,” zegt de altijd inspirerende filosoof Loesje.

Daar heeft ze overigens wel een punt. Een zeer praktisch punt ook, zeer toepasbaar in mijn nieuwe babywereld. Want zo’n hummeltje wil dus veel liefde en aandacht en moet vaak huilen enzo, maar er moeten ook af en toe dingen gedaan worden. Dus de hele tijd op je arm houden zit er niet echt in. Vandaar dus dat ik mijn weg probeer te vinden met een draagdoek. Is nog een hele klus trouwens, om dat een beetje mooi te knopen. Maar als ‘ie goed zit heb ik een tevreden baby en dat zorgt dan weer voor een relaxte mama.

Vanmiddag zat – of hing – ze bij me tijdens ons dagelijkse wandelingetje richting supermarkt. Inderdaad, mijn wereld is tijdelijk niet zo groot, ik vind een pak yoghurt en een brood halen al een hele prestatie. Ik ben meer dan moe door de gebroken nachten, het vele gehuil, door mijn onzekerheid over werkelijk álles. Maar gelukkig scheen de zon en was de kleine dame eindelijk in slaap gevallen. Op een muurtje bij het parkeerterrein zat een clubje plaatselijke daklozen en verslaafden. Niet dat je dat aan ze ziet hoor, maar aangezien het vlakbij het gebouw van de verslavingszorg zit, en ik een aantal van de mannen herken van mijn werk bij het Leger des Heils, weet ik een beetje wie het zijn. “Goed vasthouden hoor!” riep een van de heren terwijl ik voorbijliep. Ik beloofde mijn best te doen en deed mijn boodschapje. Op mijn terugweg zaten ze er nog. “Dat moet wel heel lekker zitten zo, voor zo’n baby,” merkte een voor mij onbekende meneer op. Ik bleef even stilstaan en zei dat ik dat ook wel dacht. En zo ontstond er een gesprek tussen de mannen en mij, en tussen de mannen onderling. Over slapen als een baby, ouders die wel of niet knuffelen en troosten, hoe hun eigen moeder dat vroeger deed. Het moet een mooi gezicht geweest zijn: mama en baby omgeven door wat smoezelig uitziende heren in een geanimeerd gesprek. Ik wenste ze een fijne dag verder en zij wensten mij liefde en geluk. En in het altijd charmante Zaanse accent: “Lekker blijven vasthouden hoor!”

Onderweg naar huis dacht ik na. Over vasthouden en loslaten. Over dat je om los te kunnen laten soms iets eerst moet leren vasthouden. Over hoe ik mijn handen en mijn hart vrij kan laten zijn. Daar ben ik voorlopig nog wel mee bezig vermoed ik, maar dit momentje, dit hou ik nog even vast.

603256_501522903215146_836184365_n

Nooit meer een killer body – een blog voor World Pre-Eclampsia Day

Vanochtend opende ik in een onbewaakt ogenblik ergens tussen ontbijt en werk mijn facebook account – ik vergeet namelijk steeds dat ik die eigenlijk van mijn telefoon wilde verwijderen.

Nog voor ik goed en wel met mijn ogen kon knipperen, verschenen er drie artikelen op mijn schermpje. Iets over of ik al bikini-proof ben, een artikel over World Pre-Eclampsia Day, en een betoog over het wel of niet willen hebben van een killer body. Lekker begin van de dag, met mijn broodje hagelslag net achter de kiezen.

Ik ben vast niet de enige die het opvalt dat er wel érg veel artikelen over het vrouwelijk lijf gaan. Hoewel het vast iets te maken met mijn instellingen en cookies (letterlijk en figuurlijk), dus wellicht verraadt het vooral wat mij blijkbaar bezighoudt. Oeps.

Bikinilijf

Over dat bikinilijf kan ik kort en krachtig zijn. Ik heb vorige week net een heuse tankini besteld bij de Wehkamp. Toen ik hem vers uit de verpakking voor me hield dacht ik vooral: “Ik hoop dat hij niet past, want mán wat moet je voor dit bikinibroekje blijkbaar een reusachtig achterwerk hebben.” Uiteraard paste het perfect en stond het nog leuk ook. Ik heb er overigens wel een flinke buik in. Maar dat kan ook te maken hebben met het feit dat ik 22 weken zwanger ben, en dat zo’n buik er dan min of meer bij hoort. Het heeft ook wel iets comfortabels inmiddels. Ik ben voorbij de ongemakkelijke fase waarin mensen zich afvragen of die prachtige rondingen komen door grote hoeveelheden pizza en chocola, of dat er sprake is van eh, verzachtende omstandigheden. Maar goed, ik zou kort en krachtig zijn: ik heb een lijf. En ik heb een bikini. Dus dat bikinilijf: check.

Wat me meer raakte was het zoveelste discussie artikel over dat killer body. Ik dacht eerlijk gezegd dat de hype alweer een beetje over was. Dat we met z’n allen hadden besloten dat een perfect strak lichaam, onwaarschijnlijk veel sporten en hopeloos weinig calorieën eten niet het belangrijkste in het leven was. Maar toch steekt het nog af en toe de kop op. En toen ik de term killer body las in hetzelfde schermpje als het artikel over World Pre-Eclampsia Day werd ik ineens even heel boos.

HELLP!

Misschien zeggen  de termen pre-eclampsie of HELLP syndroom je niet veel. Dat kan zelfs heel goed en is juist een van de redenen dat er een speciale dag is uitgeroepen om ze onder de aandacht te brengen. We hebben het hier namelijk over een bijzonder heftige zwangerschapscomplicatie, die zo’n 1 op de 20 zwangere vrouwen treft. Vroeger was pre-eclampsie ook wel bekend als zwangerschapsvergiftiging (eng woord hè?),  een combinatie van factoren die ervoor zorgen dat zowel de moeder als de baby ernstige risico’s lopen. Het kan alleen optreden, of overgaan in het HELLP syndroom. Als je daar meer over wilt weten, kijk vooral even hier:

 

 

 

Tijdens mijn vorige zwangerschap werd ik er, omdat ik de symptomen niet herkende en mijn omgeving en zelfs de verloskundige eigenlijk ook niet, met 27 weken door overvallen. Van de ene op de andere dag was ik doodziek, en voor ik het wist lag ik in een ambulance richting een academisch ziekenhuis. Nog geen 12 uur later was mijn dochter er – ze moest wel geboren worden, omdat ik het zelf anders niet had overleefd. De nasleep was heftig en duurde lang. Het is nogal een combinatie om zelf zo ziek te zijn en daarnaast een piepkleine premature baby te hebben die maandenlang in het ziekenhuis moet blijven en ook daarna nog flink wat uitdagingen voorgeschoteld krijgt.

Pech gehad?

En nu ben ik dus weer zwanger. Het is niet toevallig dat het 4 jaar duurde voor ik het weer aandurfde. Terugkijkend was het rond deze termijn dat ik ziek begon te worden. Maar zoals ik al schreef, ik had het zelf niet echt door. Ik dacht gewoon dat ik pech had dat de misselijkheid nooit overging. Dat migraine af en toe gewoon voorkwam. Dat ik misschien toevallig een paar keer achter elkaar iets had dat voelde als griep. Ik dacht dat het een kwestie van jammer was dat mijn buik niet hard groeide maar mijn gezicht wel opzwol. Gelukkig ervaar ik nu niks van dat alles – en word ik enorm in de gaten gehouden door allemaal witte jassen die samen met mij willen voorkomen dat ik nog een keer door zo’n hel moet.

Liever leven

Ik had letterlijk een killer body. Een lijf dat vocht tegen zichzelf, en tegen het lieve kleine meisje dat tegen alles in probeerde te groeien en te overleven. Een lijf dat het bijna niet gered had, en na die heftige ervaring ook nooit meer helemaal ‘de oude’ is geworden.

Vanochtend wist ik het ineens: ik wil nooit meer een killer body. Ik wil juist een lichaam dat leven gééft. Ik wil een veilige omgeving zijn voor het meisje dat ik nu zachtjes voel schoppen. Een lijf als thuis voor een nieuw leven dat nog helemaal tot bloei mag komen. En als ze er eenmaal is, wil ik dat datzelfde lijf nog steeds voelt als een veilige thuishaven. Liever lief en zacht, mooi en mama.

Ik wil leven, knuffelen, stoeien, borstvoeding kunnen geven, genieten en mét een paar rondingen die extra goed uitkomen in zo’n leuke bikini. Of gewoon een fleurig zomerjurkje. Vanaf vandaag ga ik voor een nieuwe term: een leeflijf.

IMG_2684

Neonletters in de mist

Het was mistig. Zo mistig dat ik het gevoel had dat ik de druppels opzij moest duwen, alsof ik door een dikke wolk fietste. Ook was het koud genoeg om behoorlijk ongemotiveerd naar buiten te gaan – als ik niet had afgesproken met een lieve vriendin, zou ik zo lang mogelijk met een dekentje op de bank zijn blijven zitten.

We hadden afgesproken in wat heel wat jaartjes mijn favoriete cafe (als je er vooral koffie drinkt mag je het denk ik geen stamkroeg noemen?) was in Amsterdam, vlakbij het station. Ook in de grote stad hingen de wolken laag. Mijn peuter zou zeggen: “Mama, de lucht is helemaal wit geworden!”

Zo aan het eind van het jaar lijken mijn gedachten ook niet zo helder. Het was weer zo’n jaar: veel gebeurd, veel nagedacht, gelezen, geloofd, getwijfeld, gepraat en gezwegen. Ik ben weleens een beetje jaloers op mensen die alles zo lekker overzichtelijk lijken te hebben: aan het begin van het jaar een paar goede voornemens en duidelijke doelen, aan het eind van het jaar alles evalueren en met een bijgesteld plan het nieuwe jaar in. Of bestaan die mensen alleen op social media?

Mijn bijbelleesrooster was half januari al kwijt, mijn geloofsleven soms getekend door twijfel en dan weer door enthousiasme. Mijn plannen om in de kerstvakantie eens lekker de tijd te nemen om mijn leven op een rijtje te zetten en tegelijkertijd de rommel in huis op te ruimen werden onderbroken door triviale zaken als familiebezoek, gezelligheid, knutselen met de peuter en veel naar buiten. En stiekem ook wat Netflix. O wacht, niks triviaals aan eigenlijk: dat is juist al het fijne van vakantie! Maar goed, eind 2017 is mijn hoofd, mijn huis en mijn leven dus niet overzichtelijker dan aan het begin.

Daarover mijmerend liep ik vanaf het Centraal Station richting het cafe. Al vanaf het stationsplein zag ik de neonletters bovenop het gebouw oplichten, zelfs door de mist: “GOD ROEPT U – JESUS LOVES YOU.”

De eerste woorden stammen nog uit de tijd dat het gebouw gebruikt werd door het Leger des Heils, zo op de hoek van de wallen. Vanaf de jaren ’80 – na een flinke tijd leegstand – kwam het in het bezit van zendingsorganisatie Jeugd met een Opdracht. Dat herstelde de letters in hun oude glorie en voegde er de tweede zin aan toe. Als een boodschap aan de stad.

Al wel duizend keer heb ik die letters gezien. Meestal vallen ze me niet eens op. Ze doen me niet zo veel. Soms, door de ogen van toeristen die ik meeneem, zie ik ze weer even. “O ja, het JESUS LOVES YOU gebouw, dat is waar ook.”

Maar vandaag raakten de woorden me, in al hun eenvoud. Misschien is dit wel het enige dat ik echt hoef te weten. God roept mij. Niet met een harde donderstem uit de hemel, niet met een grootste en meeslepende opdracht of ‘roeping’. Maar Hij zoekt wel mijn aandacht. Hij reikt uit om contact te maken. En ik ervaar het als een vraag: “Ben je wakker? Ben je erbij? Let je op? Ben je echt aanwezig?” En dan de simpele boodschap dat Jezus van me houdt. Zo vaak gehoord dat het bijna cliché klinkt. Maar ik heb het nodig. Ik moet er af en toe aan herinnerd worden dat mijn identiteit verweven is met de liefde van God. Dat ik in alle onzekerheid en onduidelijkheid mag weten dat ik geliefd ben, dat ik gezien word. Nog voordat ik een lijstje maak met goede voornemens of dingen die ik wil bereiken.

Het doet me denken aan het verhaal in Matteüs 3, over de doop van Jezus. Nog voordat Jezus ook maar een wonder verrichtte, liet hij zich door Johannes de Doper onderdompelen in de Jordaan. Zodra hij boven water komt, scheurt de hemel open (ik stel me een mistige dag door, waar opeens de zon doorbrak), daalt er een duif neer en hoort iedereen een stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde!”

Jezus wist zich geroepen door de Vader, leefde met volledige aandacht en aanwezigheid, en nog voordat hij die roeping ten volle uitleefde, wist hij zich geliefd.

Of het nou een open hemel, en stem en een duif is, of dat het neonletters zijn in de mist, God weet als het nodig is altijd de aandacht te trekken. En mijn enige echte voornemens zijn om naar die stem te luisteren, en in neonletters in mijn gedachten te houden dat Hij me zoekt en van me houdt.

Gelukkig 2017!

nicu preemie

Over harde logeerbedden, lastige ouders en vechten voor je kind

Vier jaar geleden was ik zwanger. Het was nog maar pril. Zo pril dat alleen mijn man en ik het nog maar wisten, we probeerden net een beetje aan het idee te wennen.

Vier jaar geleden dacht ik na over hoe het zou zijn: ik als moeder. Het ene moment hield ik het bijna niet van enthousiasme en geluk, het volgende moment sloeg dat om in totale paniek. En die gevoelens wisselden ongeveer elk kwartier. Hou zou het klinken, gehuil (of gelach) van een kindje in ons huis? Welke kleur schilderen we de babykamer?  Zou ik wel geschikt zijn als moeder? Zou ik meteen van zo’n frummeltje kunnen houden? Hoe werkt dat eigenlijk met die luiers, en met slaapjes, en wat nou als er iets niet goed gaat? 

Geen roze wolk

Vandaag zat ik in een zaal vol artsen, verpleegkundigen en ziekenhuismanagers. Ik was als ervaringsdeskundige bij een symposium van het Ronald McDonald Kinderfonds. Ervaringsdeskundige, een titel die je niet verdient door intensieve literatuurstudie, tentamens en scripties. Ik werd het vooral door dagen, weken, maanden zelfs door te brengen in kleine ziekenhuiskamertjes. Door telefoonnummers van twee ziekenhuizen als favoriet in mijn telefoon te zetten. Ik werd deskundig door ambulanceritjes, indicatie-aanvragen, herhaalrecepten en oncomfortabele ziekenhuislogeerbedden.

Waar ik vier jaar geleden nog geen idee had hoe het moederschap zou voelen, ben ik inmiddels een heel stuk wijzer geworden. Er was geen roze wolk toen babylief zich na net zes maanden zwangerschap plotseling aandiende. Op de afdeling neonatologie was geen beschuit met muisjes. Niet omdat we die vies vonden, maar omdat we niet durfden: we wisten de eerste weken nog niet of ons piepkleine meisje het zou redden.

Moeder zijn was niet wat ik me ervan voorgesteld had. Het was heftiger, moeilijker, en zo enorm zwaar. Ik had gehoopt op lekker knuffelen, borstvoeding geven en schattige rompertjes. In plaats daarvan mocht ik haar eens in de paar dagen een uurtje vasthouden, zat ze vol met draadjes en slangetjes, en was de allerkleinste maat luier al veel te groot. De kleur van de babykamer werd ineens een stuk minder belangrijk, het was overleven geblazen. En dat bleef het nog heel lang. Maar behalve al die moeilijke dingen, leerde ik ook dat het met die liefde wel goed zat. En dat ik duizend keer sterker was dan ik ooit had gedacht.

Lastige ouders

Op het symposium keek ik om me heen. Al die mensen zaten daar om meer te leren over ‘family centered care’. Oftewel: hoe kun je het héle gezin betrekken bij de zorg voor zieke kinderen. Ik was niet de enige ervaringsdeskundige. Er waren nog een stuk of acht andere vaders en moeders die net als ik hun verhaal kwamen vertellen. Je kon ze er zo uit pikken: de ouders waren degenen die het hardst knikten en humden bij de – al te herkenbare – verhalen. Allemaal probeerden we iets uit te leggen over hoe het voelt om de zorg voor je kind aan een ander over te moeten laten. We waren expert geworden zonder opleiding. We waren allemaal weleens als ‘lastig’ bestempeld omdat we in discussie gingen met een arts. We hebben stuk voor stuk ooit uitgehuild bij een verpleegkundige die ’s avonds weer gewoon naar huis ging.

Een van de sprekers vertelde hoe ze met haar angstige kind op de arm mee liep richting operatiekamer. Halverwege de gang hing een bordje: “Absoluut voor niemand toegang na dit punt.” Ze liep door, met de groep witte jassen mee. Tot een verpleegkundige haar staande hield en aan het kind begon te sjorren. Er werd gewezen naar het bordje, en de ze moest haar kind overdragen aan onbekende armen. Wat ze daarover zei raakte me enorm: “Ik dacht niet dat ik absoluut niemand was.”

Koude douche

Ik slikte, had even oogcontact met de moeder naast me. Allebei kenden we dit soort momenten, en fluisterend wisselden we die uit, terwijl de spreker op het podium weer verder ging. Ik fluisterde over die keer dat babylief met de ambulance naar het kinderziekenhuis was gebracht. Gillende sirenes, grote paniek. Wij pasten niet in de ambulance, dus moesten er met de auto achteraan. In de file, uiteraard. Toen we minstens een uur later eindelijk bij haar op de Intensive Care aankwamen was er niemand om ons welkom te heten. We gingen maar ergens naar binnen en vonden haar bedje. Een verpleegkundige was met een ernstig gezicht allerlei capriolen aan het uithalen met pleisters en draadjes. Hij sprak geen woord. De eerste gedachte die door mijn hoofd schoot was: “Ze leeft dus nog.” Niemand die ons dat vast had verteld. Pas toen wij voorzichtig vroegen hoe het met haar ging, keek hij wat verstoord op. Ik weet niet eens meer precies was hij zei, maar wel hoe het voelde. Als een koude douche.

Toen ik bekomen was van die kille, zakelijke reactie, voelde ik iets anders: er kwam een enorm soort kracht in me naar boven. “Het is toevallig wel mijn kind waar je zo aan staat te sleutelen!” Ik voelde me als een leeuwin. Kom maar op: ik vecht voor mijn kind. Dat gevoel is niet meer overgegaan, en eerlijk gezegd wil ik dat ook helemaal niet.

Zo gefrustreerd en verdrietig als ik toen was, zo bemoedigd ben ik als ik om me heen kijk. Ik zie overal leeuwen en leeuwinnen. Partners in de strijd. En ik zie mensen die naar ons willen luisteren. Verpleegkundigen die niet geloven in lastige ouders. Artsen die vragen hoe het met ons gaat. Ik zie mensen die dag en nacht hun uiterste best doen om onze kinderen een beter leven te geven. Samen met ons.

Ik heb er niet om gevraagd om ervaringsdeskundige te worden. Liever had ik die roze wolk gehad, een moederschap waarin de grootste uitdagingen zitten in verkoudheden en driftbuien in de supermarkt. Toch ben ik dankbaar, zelfs trots.  En vandaag voel ik me gehoord. En ik schrijf het citaat van de dag, door Maya Angelou, op in mijn mentale notitieboekje:

“I’ve learned that people will forget what you said, people will forget what you did, but people will never forget how you made them feel.”

 

(Afbeelding: Rachel Barehl)