IMG_5011

Lekker vasthouden

Loslaten is niet mijn sterkste kant. Daar werd ik gisteravond tijdens een liefdevolle maar stevige schoudermassage weer aan herinnerd door mijn immer knedende echtgenoot. Ik maak me over te veel dingen zorgen. Ik denk altijd drie stappen vooruit over wat er allemaal mis zou kunnen gaan. En sinds ik weer een baby heb, vind ik het bijzonder moeilijk om niet op elk huiltje, zuchtje en kreuntje te reageren – terwijl ik dit schrijf kijk ik af en toe angstvallig naar de babyfoon.

Het is een beetje een toverwoord lijkt het wel, dat ‘loslaten’. Elke therapeut noemt het, de Happinezz en de FLOW schrijven erover, iedereen die ook maar een béétje een burn-out heeft gehad (en wie is dat nou niet) kan het woord bijna niet meer horen. “Als je los laat, heb je twee handen vrij,” zegt de altijd inspirerende filosoof Loesje.

Daar heeft ze overigens wel een punt. Een zeer praktisch punt ook, zeer toepasbaar in mijn nieuwe babywereld. Want zo’n hummeltje wil dus veel liefde en aandacht en moet vaak huilen enzo, maar er moeten ook af en toe dingen gedaan worden. Dus de hele tijd op je arm houden zit er niet echt in. Vandaar dus dat ik mijn weg probeer te vinden met een draagdoek. Is nog een hele klus trouwens, om dat een beetje mooi te knopen. Maar als ‘ie goed zit heb ik een tevreden baby en dat zorgt dan weer voor een relaxte mama.

Vanmiddag zat – of hing – ze bij me tijdens ons dagelijkse wandelingetje richting supermarkt. Inderdaad, mijn wereld is tijdelijk niet zo groot, ik vind een pak yoghurt en een brood halen al een hele prestatie. Ik ben meer dan moe door de gebroken nachten, het vele gehuil, door mijn onzekerheid over werkelijk álles. Maar gelukkig scheen de zon en was de kleine dame eindelijk in slaap gevallen. Op een muurtje bij het parkeerterrein zat een clubje plaatselijke daklozen en verslaafden. Niet dat je dat aan ze ziet hoor, maar aangezien het vlakbij het gebouw van de verslavingszorg zit, en ik een aantal van de mannen herken van mijn werk bij het Leger des Heils, weet ik een beetje wie het zijn. “Goed vasthouden hoor!” riep een van de heren terwijl ik voorbijliep. Ik beloofde mijn best te doen en deed mijn boodschapje. Op mijn terugweg zaten ze er nog. “Dat moet wel heel lekker zitten zo, voor zo’n baby,” merkte een voor mij onbekende meneer op. Ik bleef even stilstaan en zei dat ik dat ook wel dacht. En zo ontstond er een gesprek tussen de mannen en mij, en tussen de mannen onderling. Over slapen als een baby, ouders die wel of niet knuffelen en troosten, hoe hun eigen moeder dat vroeger deed. Het moet een mooi gezicht geweest zijn: mama en baby omgeven door wat smoezelig uitziende heren in een geanimeerd gesprek. Ik wenste ze een fijne dag verder en zij wensten mij liefde en geluk. En in het altijd charmante Zaanse accent: “Lekker blijven vasthouden hoor!”

Onderweg naar huis dacht ik na. Over vasthouden en loslaten. Over dat je om los te kunnen laten soms iets eerst moet leren vasthouden. Over hoe ik mijn handen en mijn hart vrij kan laten zijn. Daar ben ik voorlopig nog wel mee bezig vermoed ik, maar dit momentje, dit hou ik nog even vast.

IMG_5133

Inspireren moet je leren

Al zo’n vier dagen was ik bezig met een blog. De enigszins grappige maar toch ook een beetje serieuze inleiding was al af. En dan nu de diepte in…

Maar waar ik meestal geen probleem heb om mijn gedachten op papier – of beter: het scherm – te krijgen, bleef ik nu steken. Een writers block wil ik het niet noemen. Ik ben niet bezig met een roman ofzo, en heb ook geen deadline of andere veeleisende toestanden. Alleen, ik kon geen woorden vinden voor mijn gedachten en gevoelens. En als je schrijft, zijn woorden toch best essentieel.

Het was zo’n blog die moest gaan over allerlei nieuwe inzichten en ontdekkingen, zo eentje waar ik probeer kwetsbaar en open te zijn, maar ook hoop te geven en de situatie van een afstandje te bekijken. Met wellicht een grappige knipoog ergens tussendoor. Het soort blog dat ik zelf ook graag lees.

Terwijl ik wat ik tot nu toe had deelde met mijn liefhebbende echtgenoot, realiseerde ik me ineens iets: dit is geen blogtekst. Dit moet gewoon in mijn dagboek. Het is nog niet af. Het is té open en té kwetsbaar. Zoals ik weleens iemand hoorde zeggen: emotioneel incontinent. Geen diepe geheimen ofzo hoor, maar gewoon wat dingen die ik eerst eens moet herkauwen in plaats van meteen de wereld in slingeren. Sorry als je daar nu een iets te grafisch beeld bij hebt…

Een van mijn bloghelden, Glennon Doyle Melton, schrijft:

“Mijn boek ‘Love Warrior’ is heel persoonlijk, maar het is geen dagboek (…) Hoe kan ik mijn persoonlijke verhaal universeel maken? Ik zeefde mijn eigen pijn en zocht naar stukjes goud om te delen met anderen. Als we in realtime onze persoonlijke verhalen delen kan het voor lezers meer voelen als een schreeuw om hulp dan een bewezen dienst. Je moet durven stilzitten met je pijn voordat je die kan delen en het gebruiken om anderen een dienst te bewijzen en verbinding te zoeken met onbekenden.”

Wat ze volgens mij bedoelt is dat je beter kunt schrijven vanuit een litteken dan vanuit een open wond. Een gedachte die zij overigens weer heeft van Brene Brown, of Anne Lamott of Nadia Bolz-Weber. En ja, die namen noem ik expres, want dat zijn allemaal mensen die enorm het lezen waard zijn. Graag gedaan.

Ik vind dat een inspirerende gedachte. Sommige inzichten of kwetsbaarheden zijn enorm het delen waard. Omdat anderen zich erin kunnen herkennen en zich dan gezien of gehoord voelen. Of omdat je mensen ermee kunt raken, vermaken, hoop geven, hun dag een beetje mooier maken. Maar het verschil tussen het ongemakkelijke gevoel dat je iemands onverwerkte pijn lees als in een dagboek, of dat je weer een stapje verder kunt omdat je ziet dat je niet alleen bent, zit hem niet in de woorden zelf. Inspireren moet je leren. Het zit hem in het moment van schrijven en de ‘state of mind’ van de schrijver.

Dat ben ik dus aan het leren. En die blog? Die komt er ooit wel, wacht maar af. Maar eerst gewoon met pen op papier. En dan een tijdje in mijn hart. Het wereldwijde web kan wel even wachten.

 

p.s. Stiekem is de hele reden voor deze post het onderstaande filmpje. Omdat het briljant is en ik vind dat iedereen het moet zien. Enjoy!

 

22519928_10155017430386867_2150364295343416324_o

Geen woorden

Vandaag ben ik verdrietig. Voor vrienden die hun premature kindje gisteren verloren. Voor een vriendin die haar premature kindje vorige week verloor. Omdat het niet eerlijk is, omdat het hartverscheurend is. En tegelijk ben ik blij, omdat ik langer dan 3 uur geslapen heb vannacht, omdat ik mijn baby met krampjes heb kunnen troosten, omdat ik een wandelingetje in de zon kan doen en een kopje koffie kan drinken.

Het bestaat naast elkaar en is allebei waarheid. En dat is flink verwarrend. Ik kan geen woorden vinden om mijn lieve vrienden te troosten en tegelijk probeer ik woorden te geven aan mijn eigen gevoel.

Ik probeer de laatste tijd mijn kleuter emoties te leren benoemen. Bang, blij, boos, verdrietig. En hoe dat eruitziet. We hebben ‘dapper’ toegevoegd aan het lijstje. Dat voel je niet, dat dóe je. Dapper zijn is kleine gelukjes vieren ondanks je verdriet. Is kiezen om geduldig te blijven ondanks je boosheid. Dapper is ruimte innemen voor jezelf ondanks je onzekerheid of angst. En hoe dat eruitziet?

Vandaag ziet dapper eruit als een mama met wallen onder haar ogen van het huilen, het ruikt als frisgewassen haar en Zwitsal, en het smaakt als caffe latte in de zon. Vandaag ben ik bang, blij, boos, verdrietig én dapper.

18275087_1902847839992404_7759935407835201248_n

Hoera voor een nieuw project!

Het is even een tijdje stil geweest hier. Dat is niet helemaal toevallig. Ik was namelijk (en ben nog steeds) bezig met een ander project dat flink veel energie kost, maar hopelijk heel wat oplevert.

Ik noem het: ‘baby nummer 2’.

Wie mijn blogs soms volgt, weet misschien dat mijn eerste zwangerschap erg pittig was, dat ik ziek werd en Evi veel te vroeg werd geboren. Daarom is het nu extra spannend en word ik in het door allemaal mensen met witte jassen nauwlettend in de gaten gehouden. Dat is ook de reden dat we even gewacht hebben met een grootse aankondiging: eerst was er tijd nodig om te wennen aan deze zwangerschap, wat vertrouwen te krijgen en heel veel te slapen (écht veel te slapen).

Nu ik zo’n 20 weken onderweg ben en het absoluut niet meer kan verstoppen mag iedereen het weten, en probeer ik af en toe weer wat te schrijven. Hoef ik ook niet meer bang te zijn dat ik in een blog mijn ‘mond voorbijpraat’…

Intussen verdiept Evi zich in de bibliotheek vast in haar huiswerk voor de komende tijd.

struiksma_133

Brus

Een paar weken geleden kwam ik mijn kleuterjuf van vroeger tegen. Oké, niet geheel toevallig: het was op een reünie. Mijn kleutertijd zo ongeveer de leukste tijd van mijn leven geweest. Wat, als ik dat zo lees, eigenlijk best treurig overkomt… Ik bedoel vooral dat ik nog steeds dingen weet die ik van haar geleerd heb. Uitspraken als “geef jezelf maar een schouderklopje” zingen nog steeds in mijn hoofd rond. En ik heb levendige herinneringen aan de poppenhoek en aan de kerstvieringen. Toen je nog met echte kaarsjes mocht – doodeng, en dan wekenlang oefenen op dat ene liedje.


Maar er is ook iets anders waardoor ik me haar zo goed herinner, iets van een aantal jaar later. Ze heeft namelijk niet alleen mij, maar ook mijn beide zusjes in de kleuterklas gehad. Dat was helemaal niet zo vanzelfsprekend als het lijkt, want Anne, mijn 4 jaar jongere zus, is verstandelijk beperkt. 

In het begin kreeg ik daar niet zoveel van mee. Ze was voor mij vooral de leuke baby om mee te tutten (of alvast uit bed te halen en boven de trap te laten bungelen, omdat ik mama wilde ‘helpen’). Pas toen ze een jaar of drie was ging het echt flink mis. Ze kreeg heftige epileptische aanvallen, die ik nooit van mijn netvlies zal krijgen. Vanaf toen draaide niet alles, maar wel veel om Anne.

Ze ontwikkelde zich nog wel zo ver dat ze dus begon in een reguliere kleuterklas. Voor mij de gewoonste zaak van de wereld om samen met mijn zusje naar school te gaan, voor mijn ouders waarschijnlijk enorm spannend: hoe lang zou ze het redden? En wat zou er daarna komen? Juf Agaath ging het avontuur aan. En heel pedagogisch legde ze aan de klas uit dat Anne soms ‘aanvalletjes’ had, en vaak naar het ziekenhuis moest. Ze had zelfs een klein boekje gemaakt en las daar dan uit voor.

Dat ene schooljaar is niet eens een heel jaar geworden. Al snel werd duidelijk dat het flink mis was met Anne, en moest ze opgenomen worden in een epilepsiecentrum. Voor mijn ouders natuurlijk enorm heftig. Pas nu ik zelf moeder ben van een zorgintensieve peuter lukt het me om een beetje in te voelen hoe hartverscheurend het kan zijn om de zorg voor je kind uit te moeten besteden. Maar voor mij als oudere zus was het ook indrukwekkend. Al dat verdriet van mijn ouders, de onzekere toekomst, en intussen maar gewoon kind proberen te zijn.

En dat is waar juf Agaath voor mij weer in beeld kwam. Als eerste hielp ze mij zien wat het is om een brus te zijn. Mocht je dat woord niet kennen, een brus is niet iemand uit de hoofdstad van België, maar een samenvoeging van ‘broer’ en ‘zus’ die gebruikt wordt voor broers en zussen van mensen met een beperking. Er zijn tegenwoordig aardig wat lotgenotengroepen en activiteiten, en er is zelfs een goed boek over geschreven: check www.brussenboek.nl.

boek-groot-fw_2

Juist in de periode dat iedereen aandacht had voor Anne, en ik mij steeds meer terugtrok in mijn schulp (bekend gedrag bij brussen: vooral niet opvallen, geen aandacht trekken, papa en mama hebben al genoeg aan hun hoofd), schreef zij mij een brief. Een echte brief, helemaal alleen voor mij. Daarin schreef ze dat ze veel moest denken aan mij, dat het allemaal heel ingewikkeld was, dat de komende tijd niet makkelijk zou worden. Ze schreef dat ik niet moest vergeten dat ik ook belangrijk was en de moeite waard. En er zat een kadootje bij: een pluchen konijn met een jurkje aan. Helemaal alleen voor mij, een soort troostknuffel.

Zou ze enig idee hebben dat ik die brief altijd bewaard heb? Dat die knuffel zelfs tot in mijn studententijd steeds met me meeverhuisd is? Hoe ingewikkeld de jaren daarna ook werden – want we hadden toen inderdaad nog geen flauw idee – ergens was er altijd dat stemmetje in mijn hoofd: jij doet ertoe.

Vorige week zag ik haar dus weer. Ze is allang met pensioen. Heeft honderden kleuters gehad, waarvan de meesten dus inmiddels ruim de 30 zijn gepasseerd. Maar meteen liep ze op me af: “Hoe kan ik jou nou ooit vergeten?” Ze vroeg uiteraard hoe het was met Anne. En schrok zichtbaar van de foto die ik liet zien. Het is ook niet niks, hoe ze eigenlijk sindsdien alleen maar achteruit is gedaan, en nu functioneert op het niveau van een kind van nog geen jaar. Maar ze vroeg ook hoe het met mij ging. Zei dat ze altijd nog aan me gedacht heeft. Niet uit een soort medelijden, maar oprechte betrokkenheid. Omdat sommige mensen voor altijd een warm plekje in je hart verdienen.

Inmiddels ben ik al 30 jaar brus. En mijn jongste zus, die vijf jaar na Anne geboren is heeft ook zo haar ervaring. Anders dan die van mij, maar daardoor niet minder uitdagend. Brus zijn heeft zo zijn ups en downs. Maar door juf Agaath zal ik nooit vergeten dat ik gezien ben, en geliefd. En dat gaf me een stevige basis.

Lang leve brussenliefde!