Natasja

Timing is zo tricky!

Vandaag leen ik mijn blog even uit aan Natasja Bos. Omdat ze veel te vertellen heeft, enorm inspirerend is, en omdat ik fan ben van Exxpose – een stichting die zij met een vriendin heeft opgericht. Hoog tijd dat je kennis maakt met Natasja dus!


 

12238121_10154112326936754_8812007565278717287_o

Timing is zo tricky!

Vraag jij je wel eens af: ‘Als ik toch eens zou weten hoe deze keuze uitpakt!’. Nu, ik heb het heel vaak. Sterker nog. Ik vraag God regelmatig of Hij nauwkeurig uit de doeken zou willen doen wat me te wachten staat. Maar toen ik laatst op de fiets zat was het net alsof God me liet zien wat ik Hem dan eigenlijk vraag. Ik vraag Hem om de vader te zijn die zijn kind, als ze voor het eerst naar de basisschool gaat, vertelt: “Schat, nu is het nog leuk en mag je spelen, maar ik zal je eens even tot in de puntjes uitleggen wat voor dingen je allemaal moet doen als je in groep 8 zit.” Natuurlijk zit ze helemaal niet op die informatie te wachten, die eerste stap naar school is al groot genoeg.

Ik moest denken aan wat ik een poosje terug in The Message had gelezen (een geniale bijbelvertaling!); Our lives in step with God and all others bij letting Him set te pace, not by proudly or anxiously trying to run the parade (Romeinen 3, The Message). Hij vraagt me om in zijn tempo te lopen en zijn timing te vertrouwen.

Lachen om je fouten

En natuurlijk wist ik dat God gelijk had. Timing is zo tricky. In de muziek kan het helemaal mis gaan als je de timing niet goed is. Het is het verschil tussen genieten en stress. Of je kunt lachen om je fouten, of dat je door je fouten laat mee sleuren. We kunnen maar beter goed naar de componist luisteren.

Tot in de puntjes

Geloof mij, ik heb hier nog wat harde lessen in te leren. Zoals ik al zei; ik verwacht van God vaak dat hij me tot in de puntjes uitlegt waar ik aan begin. Maar als ik eerlijk ben zou ik nooit zijn begonnen aan de dingen die ik nu doe, als ik had geweten waar ik nu was en wat het me zou kosten. Niet omdat ik er niet zou willen zijn, maar omdat ik niet zou weten hoe ik het zou moeten regelen.

Een tipje van de sluier

Dat betekent gelukkig niet dat God nooit een tipje van de sluier oplicht. Integendeel! Jezus wist precies waar Hij aan begon toen Hij naar de aarde kwam, Petrus wist dat hij een zelfde dood zou sterven als Jezus, en Paulus dat hij naar Rome zou gaan. Maar voor een ieder van hen gold dat ze moesten zeilen op Gods wind, lopen in zijn tempo, vertrouwen op zijn timing. Hoe lastig dat ook kan zijn.

Terug naar de basisschool

Het hele avontuur is niet te doen als je God niet kent. Het kind dat door haar vader naar school wordt gebracht, weet dat haar vader van haar houdt. Ze kan hem vertrouwen. Zo kunnen we alleen in het onbekende springen omdat we God kennen. En als je het mij vraag, vraagt God ons juist daarom om het onbekende in te springen, want zoeken we Hem weer op.

Dan lopen we samen op zijn timing.

 

Voetnoot voor de nieuwsgierige lezer

Goed. Misschien denk je: Nu wil ik wel eens weten waar ze het eigenlijk over heeft als ze dingen zijn in het leven die ze niet van te voren niet wilde weten. Nu, een van dingen waarvan ik nooit had gedacht dat zou gebeuren is Exxpose. Wat startte als een project samen met een vriendinnetje is nu een beweging van jonge mensen die de realiteit van prostitutie onder de aandacht willen brengen. Sinds dit jaar zijn we een stichting en zaterdag 30 januari houden we ons eerste Exxpose Festival. Lees meer over het festival op deze link en steun ons werk via deze link.

Image credits: Judith Kersloot (Sjuul Fotografie)

2013-05-31 13.04.21

Verhuizen met de ambulance

Gisteren werd het VU Medisch Centrum geheel ontruimd. Als je ook maar één keer de radio hebt aangezet, nieuws gekeken of social media hebt gebruikt gisteren, kan je dat niet ontgaan zijn. Al vroeg in de ochtend werd ik gebeld door de assistente van de kinderpoli, die met een bibberige stem zei dat ze ook niet precies weet wanneer we nu met mijn dochter langs kunnen komen, maar in ieder geval niet deze week.

Voor mij betekent dat vandaag een vrije dag. En even wat langer wachten om het lange traject in het ziekenhuis weer wat verder af te ronden. Het zou namelijk de laatste keer bij de longarts zijn.

Hoe serieus de ontruiming was, werd pas een uur of wat later duidelijk. Toen ik de beelden zag van een lange rij met ambulances, werd ik ineens twee jaar teruggeworpen in mijn herinnering. In die periode heb ik namelijk heel wat ambulances van binnen gezien. De eerste keer was voor mezelf, toen ik met grote spoed (maar zonder gillende sirenes, want midden in de nacht), met de baby nog in mijn buik, naar het VUmc gereden werd. De keren daarna werd diezelfde baby heen en weer naar allerlei ziekenhuizen vervoerd.

Op het nieuws zag ik dat er bij de evacuatie voorrang gegeven zou worden aan de kinderen en baby’s van de intensive care. De meeste mensen zullen dat voor kennisgeving aannemen. Maar ik zag mezelf weer zitten op de afdeling neonatologie. Ik voelde weer hoe het was om uren te wachten op de bestelde ambulance. Ik hoorde weer de ‘mitsen en maren’ van de artsen: “Je kindje wordt overgeplaatst naar een ander ziekenhuis omdat het relatief goed gaat, maar het vervoer is vaak intensief. Verwacht dus maar dat het de komende dagen wat minder goed gaat.” We hadden er zeven weken naartoegeleefd dat ze naar een zogenaamde high care afdeling zou mogen, met minder apparatuur en meer ‘vrijheden’ voor ons als ouders. Ik leefde volgens de strenge klok van het kolfapparaat: iedere drie uur proberen wat borstvoeding eruit te persen, hoe moeilijk dat ook ging, omdat alle beetjes helpen. En daar zat ik dan te wachten. De verpleegkundige had een foutje gemaakt in de berekening en niet genoeg voeding apart gezet. Of ik nog snel even wat kon afkolven. Alsof dat op commando zou lukken. “Probeer maar te ontspannen.” Als die melk niet zo vreselijk kostbaar was, had ik het flesje naar haar hoofd gegooid.

Eindelijk kwamen de ambulancebroeders. Evi werd met heel veel geduld en zorg voorzichtig van haar ziekenhuiscouveuse in een speciale vervoerscouveuse overgetild. Prikkels moesten zoveel mogelijk vermeden worden.De ambulance was gigantisch. Ze noemen zo’n gevaarte ook wel een MICU: mobile intensive care unit. Dat een soort verhuiswagen met een eenpersoonsziekenhuis erin.  Daarnaast stond een échte verhuiswagen, met als tekst erop ‘your best move’. Dat hoopte ik maar.

Alles ging goed, en we kwamen in alle rust aan in het volgende ziekenhuis, waar haar nieuwe bedje al gespreid was, de apparatuur overgezet kon worden en ze bij kon komen van deze pittige reis van 20 minuten lang.

Dit alles ging door mijn hoofd toen ik zo’n zelfde vrachtwagen op de foto zag bij nu.nl. Ik zag er zelfs een bekende arts bij staan. Daar zal dus wel zo’n minimensje in hebben gezeten. Met een gespannen moeder, die ’s ochtends nog niet wist dat ze ’s avonds in een heel ander ziekenhuis zou zijn. Die niet voorbereid waren op wat een verhuizing als deze inhoudt. Ouders die misschien in het Ronald McDonald huis verbleven, bezig waren een routine te ontwikkelen, het ziekenhuis begonnen te kennen als tweede thuis. Wat een stress! En wat een geluk dat het zomaar kan. Dat er in een mum van tijd (of in ieder geval binnen een paar uur) plekjes geregeld zijn, ambulances klaarstaan.

Ook vandaag denk ik aan de twaalf kindjes van de NICU. En aan de vaders en moeders. Dit was voor de meesten van hen niet de eerste keer dat de plannen onverwachts drastisch wijzigen. Of dat ze gefrustreerd raken over de gang van zaken. En zeker ook niet de laatste. Wie jullie ook zijn, en waar jullie ook zijn: ik wens jullie een voorspoedige reis. Letterlijk en figuurlijk. En voor vandaag wat extra kopjes koffie om bij te komen. Het kan niet anders dat die lekkerder is dan in het VUmc. Dat dan weer wel.

photo-1428865798880-73444f4cbefc

Genade voor mezelf

Soms is het makkelijker om genadig te zijn voor een ander, dan voor jezelf. Een van de leukste plekken om dat te ontdekken is in een relatie. En met relatie bedoel ik huwelijk. En met leuk bedoel ik irritant, moeilijk en confronterend. 

Onvoorbereid het huwelijksbootje in?

Toen wij trouwden, was onze kerk nog heel nieuw. Niet het gebouw (dat was een eeuwenoud, mooi kerkje met een ontzettend vervelende koster), maar wel de gemeente. Wij waren het eerste stel dat in het huwelijksbootje stapte, en er was nog niet echt zoiets als een ‘marriage class’. Het leek ons toch wel goed om doelbewust bezig te zijn met het voorbereiden op ons leven samen, dus we planden een paar gesprekken met onze voorgangers. Die gesprekken waren vooral gezellig, met thee, koekjes, bier en wijn. En ze gaven ons een boek mee om te lezen: Sacred Marriage. Als je iets nodig hebt om je af te schrikken, dan moet je vooral dat boek lezen. Het was hyper-Amerikaans, rolbevestigend en de kern was vooral: “Het huwelijk is er om je te leren dienen, en een heilig leven te leiden.” Ik bladerde uit verveling door om te zoeken naar het hoofdstuk over de leuke kanten van het getrouwde leven. Maar dat was er niet echt. Tenzij je natuurlijk het onvermijdelijke gedeelte over seks bedoelt. Maar zelfs dat leek niet erg gezellig.

Onze voorgangers gaven toe dat ze het boek ook niet echt gelezen hadden…

Maar goed, wij moesten het dus vooral van de praktijk hebben. Inmiddels duurt die praktijk bijna 4 jaar, en zijn we heel wat ervaring rijker. En nog steeds gelukkig getrouwd. We zijn ook heel was gedoe verder. Veel toestanden qua werk, gezondheid, en een heel mooi maar zorgintensief kindje.

Geen middenweg

Keer op keer werden we er door onze situatie op gewezen dat als onze relatie niet goed zat, onze wereld waarschijnlijk in duigen zou vallen. Oftewel: we waren – en zijn- enorm gemotiveerd om er iets van te maken! Nu heb ik wel makkelijk praten natuurlijk, met zo’n knappe, lieve vent als die van mij. En ik ga er ook maar even van uit dat hij mij nog wel ziet zitten. Ik heb zo vaak om me heen gezien dat crisis mensen uit elkaar drijft of juist dichter bij elkaar brengt. Er lijkt geen middenweg te bestaan.

In de afgelopen paar jaar heb ik heel veel genade nodig gehad. En daar kan ik niet zo goed mee omgaan. Toen ik nog een relatief blije single was, kon ik een fout maken of iets stoms doen, en dat dan voor alles en iedereen verbergen. Ik kon mezelf een donderpreek geven en me dan depressief opsluiten in mijn kamer met een film, een dekentje en een bak ijs. Dat gaat nu dus niet meer. En dat is maar goed ook. Mijn donderpreken worden in dit huis niet getolereerd.

Genade ontvangen

Vannacht had ik dus zo’n moment dat ik me daar weer extra bewust van was. Die lieve, knappe dochter van ons leeft op sondevoeding. Hoe dat komt is een lang verhaal. Wat vooral belangrijk is om te weten is dat ze ’s nachts via een pomp gevoed wordt. En ik was moe, gisteravond. Dus ik had de pomp verkeerd ingesteld. Gevolg: overstuur kind, midden in de nacht foutmeldingen, spugen, en een scheldpartij op mezelf. Vorige week gebeurde iets soortgelijks, maar toen was het de ‘schuld’ van manlief. toen reageerde ik rustig en begrijpend. “Schatje toch, het geeft niet, kan iedereen overkomen, kom maar weer lekker slapen.” Maar nu het mij gebeurde was er niks van die genade te bekennen. Ik kon mezelf wel voor mijn hoofd slaan. En ik verwachtte min of meer een uitbrander van mijn man. Hoe ik zo stom had kunnen zijn, dat ik beter moet opletten, enzovoort. Maar ik kreeg een knuffel. Hij zei geen woord, gaf me een kus op mijn voorhoofd, en een aai door mijn haar. En dat was het.

Inmiddels is er wel een officiëel-achtige huwelijkscursus in onze kerk. Ik ben stiekem wel benieuwd waar het over gaat. Ik hoop dat het gaat over genade. En over leren ontvangen. En dat lief zijn voor de ander ook betekent dat je lief bent voor jezelf. Dan komt het wel goed.

 

Photo credit: Unsplash/Josh Felise

Tea_bowl_fixed_in_the_Kintsugi_method-2

Scars of gold

Vulnerable leadership: being the first to show your scars

We all have scars. Some stem from childhood playfulness, or scratching those itchy mosquito bites. Some are a bit more serious. Like the one on my belly, reminding me of a pretty scary day involving an emergency c-section. Or the scars covering the face of my friend’s little boy, after their house burnt to the ground. And those are just the visible ones. I haven’t even mentioned broken relationships, bullying, depression or racism.

All scars tell a story. But not all stories are easily told. It might not be that hard (and maybe even slightly cool) to talk about that one time you hurt your knee while showing off your skateboard tricks. But when it comes to opening up about postpartum depression, suddenly there is a sense of shame. “What will people think?” Suddenly, the scars become part of who we are, rather than remaining marks of hurts that happened to us. We believe they define and therefore disqualify us. Maybe not from being part of community, but certainly from having some form of influence, let alone leadership. Because ‘hurt people hurt people’, right?

Why is it, that ever so subtly, we believe that leadership is reserved for those who have overcome. For people slightly more spiritual and more, well, more perfect than we are?

A good pastor doesn’t just teach, but actually lives the message. I think that for many pastors, that is where things get difficult. Because how can you preach about victory in Christ and about faith, about healing, and about ‘living your full potential’ if that life is not as great of an example as you’d have hoped? We see the smiling faces of TV pastors, and read books with a miracle on every page. The pressure is on. They may want to cheer us on in our walk with God, but for me, the effect is usually opposite. I get discouraged because I know I can’t live up to this. And I’m not sure if they themselves can.

Leaders with scars

I have come to believe that good leadership sometimes means being the first to show your scars. And not just the cool ones. Not just the battle wounds that make you look heroic and tough. But that is hard. Because it is a challenge to be vulnerable when you don’t know how people will respond to it. Or when your scars are so intimately linked to your self image that you can’t seem to separate story from identity.

Leaders with scars are in good company. The Bible is packed with examples of people that would be disqualified, had they applied for a job as worship leader or youth pastor. But still, their stories are in the book. God chose not to leave their imperfections unmentioned, to polish up the Big Picture. This gives me great hope. And it’s not just people like David, or Paul. Jesus Himself may be our greatest example of courageous, vulnerable leadership. He also chose to show His scars.

We know the scene so well. Often the chapter is titled ‘Doubting Thomas’. It is a story of how, after our Lord was raised from the dead, Thomas finds it hard to believe it is really Him. I can’t blame him, because it is not every day you see a loved one walk around as if he wasn’t just crucified and buried a few days ago. Instead of focusing on Thomas and point the finger at him for not believing, I’d much rather look at the initiative Jesus takes. Jesus shows the scars on His hands and His side. Even invites Thomas to touch them!

There is a bit of theological debate on why Jesus, in His resurrected body, still has scars. I find it beautiful though, and loaded with truth. To me it seems that Jesus is not afraid to show His wounds, because they make up an incredibly important part of His story. And by allowing Thomas to touch them, He invites intimacy, and encourages faith. To Jesus, His scars are not a sign of weakness or failure. They are a mark of the miracle of resurrection.

Cracks filled with gold

Nothing illustrates the beauty of showing your scars more beautifully than the Japanse art of
kintsukuroi (keen-tsoo-koo-roy). In Japan, cracks in precious bowls are often filled with gold.  The Japanese believe that when something has suffered damage and has a history, it becomes more beautiful. I love looking at it that way. Because, applied to my own brokenness, it challenges me to see how my scars, both visible and invisible, could actually help me be more beautiful. To add meaning to my life. I’m still here, and I have a story to tell.

To tell that story, I need to invite a certain level of intimacy. I need to choose to be honest and approachable. And I’m blessed to have some wonderful examples in my life. My own pastor and good friend has almost turned this into an art form. In teaching, but also in being present. In sharing awful birth stories from the pulpit, and in countless cups of tea and conversations.
Even if our struggles are different, she chooses be vulnerable. To say ‘ me too’ and send a message saying ‘you are not alone’. And in that, she is living the message she wants to get across. I’m inspired to do the same.

In kintsukuroi, the repaired bowl becomes more beautiful than the original. There is added meaning and beauty. My hope and prayer for the church is that our leaders will follow Jesus in taking the initiative. To be, as Henri Nouwen put it ‘wounded healers’. I pray that we can be a community of broken, hurting and healing, messed up and stitched up, beautiful people. I dream that our leaders will have both the vulnerability and the courage to point us in the direction of the nail pierced, scarred hands of our great Wounded Healer.

B22230B6-E815-4CD6-BAEF-680E34CB25D1

Een vloek en een zucht

Gisteravond zond Doc2 een documentaire uit over de Bond Tegen Het Vloeken. Wist u dat die nog bestaan? Ik had geen flauw idee. 

Ik keek met een mengeling van nieuwsgierigheid, plaatsvervangende schaamte en ergernis. En een klein beetje bewondering. Een clubje voornamelijk grijsbebaarde mannen, met als uitzondering een relatief jonge, frisse woordvoerder. In een interview met POWnews zegt hij dat hij van zijn hobby zijn werk heeft gemaakt. Eh, ok… Want je hobby is ‘niet vloeken’?

Jeuk

Ik krijg altijd een beetje jeuk van organisaties die zich profileren met waar ze tégen zijn. Volgens mij hadden we al een tijd geleden met z’n allen besloten dat zoiets niet echt lekker communiceerde. Zelfs de anti-abortusbeweging heeft zichzelf omgedoopt tot ‘pro-life’.

Niet dat ik de hele boel bijelkaar scheld en vloek hoor, ik ben meestal heel netjes. Ik zal Gods naam (bijna) nooit ijdel gebruiken, dat bewaar ik voor de momenten dat het echt serieus is. Dan hoort Hij het ook beter denk ik.

Wat zit me dan zo dwars aan die club? Ze moeten toch lekker doen wat ze zelf willen? En als zij hun vrije tijd willen besteden aan het veranderen van onze woede-uitingen, dan moeten ze dat toch vooral doen? Ik denk dat het voor mij zo hoort bij het kleine christelijke eilandje. Het soort christendom dat het gevoel heeft zich te moeten verdedigen tegen de grote boze buitenwereld. Het soort christendom dat tegen pubers zegt dat geloven betekent dat je in de pauze om stilte vraagt voor je je lunchtrommeltje opent. Dat christen zijn inhoudt dat je anderen wijst op ongeoorloofd taalgebruik. “Gij geheel anders.” Maar dan wel zo anders, dat je in je veilige, ommuurde wereldje blijft. En je aangesproken, aangevallen of onbegrepen voelt als iemand zich niet aan jouw regels houdt.

Uit je boosheid

Ik weet nog dat ik vroeger altijd heel zelfbewust werd zodra er iemand in mijn buurt ‘Jézus!’ zei, zonder dat als gebed te bedoelen. “Nu moet ik een goed christen zijn”, dacht ik dan. “Wat zouden ze van me denken als ik er iets over zeg? Vinden ze me dan een zeikerd?” Maar tegelijkertijd: “Wat als ik er niet op reageer? Ze weten dat ik gelovig ben. Doen ze het expres om te zien wat ik doe?”

Inmiddels werk ik al meer dan 10 jaar in de maatschappelijke opvang. Een wereld waar – meestal door cliënten, soms door personeel – veel en hartgrondig gevloekt wordt. Ik kan dus wel ergens tegen. En ik kan zonder me ongemakkelijk te voelen aangeven waar de grens ligt: je mag boos zijn, je mag je boosheid uiten, maar je blijft wel respectvol. Of als dat niet lukt, zeg je later maar sorry. En soms is even goed schelden gewoon gezond. Zoals toen ik aan mijn psycholoog iets vertelde over een heftige situatie. Zij reageerde vanuit haar tenen: “G*&^%, wat een klotesituatie was dat voor je zeg!” Ik schoot ervan in de lach. Want ze had hartstikke gelijk. En dat zij zich zo uitte, hielp mij om me te realiseren hoe boos en gefrustreerd ik eigenlijk was.

Gelukkig bleek in de documentaire dat de Bond ook wel voorzichtig over vooruitgang nadenkt. Er werd geopperd dat ze misschien wel breder moesten gaan denken. Laten zien dat je voor respectvolle omgang bent. Dat het niet aardig is om in elke zin het woord ‘kanker’ te gebruiken. Dat de gemiddelde Nederlander geen boodschap heeft aan het hooghouden van de eer van God, maar best bereid is wat vriendelijker tegen de buurman te zijn.

Waar ben je vóór? 

Ik probeer tegenwoordig het soort christen te zijn dat vooral vóór dingen is. Voor respect, voor vrede, voor gerechtigheid. En in plaats van mensen te wijzen op hun tekortkomingen, doe ik een poging om met mijn eigen leven het goede voorbeeld te geven. En dat blijkt verrekte veel lastiger dan een poster op te hangen met een slecht verzonnen cartoon, op een station van de NS. Want zeg nou zelf, zelfs de allerbeste christen voelt op zo’n plek weleens de neiging tot het uiten van een woord dat begint met een harde G.

 

Ik moest trouwens wel lachen om de reactie van de Bondtegenvloekenmeneer op de vraag van de POWnews reporter: “Wat zeg jij dan als je je teen stoot?” “Eh, gewoon: au.”