Laten we lief zijn – over sociale filters en echte ontmoetingen

Het is vaste prik op vrijdag. We wandelen naar de supermarkt: kleuter op de step, baby in de kinderwagen. Geen haast, soms ook zelfs niet echt een doel (want lang leve de weekboodschappen online bestellen). De kleuter kletst onderweg honderduit en benoemt alles wat ze ziet. Een steentje, een grappig hondje, een bloem, een buurvrouw met gebroken arm. 

Dat observatievermogen is natuurlijk prachtig, het helpt haar de wereld te interpreteren. Het is haar manier om contact te zoeken. Dat daar nog geen sociale filter op zit is vooral voor mij soms onhandig. Natuurlijk roept het schattige oooh’s en aaah’s op als ze een mevrouw ruimhartig becomplimenteert op haar prachtige sandalen – die net zo goed bruine Birkenstocks kunnen zijn, voor haar volslagen objectieve opmerkingen over iemands uiterlijk vallen niet altijd in goede aarde.  

Zo ook vandaag. “Jij hebt wel een dikke buik hè?” zei ze met enthousiaste glimlach tegen een forse meneer. Yikes. Het was ook zo, echt overduidelijk. Maar toch knielde ik snel even bij haar en zei: “Dat is eigenlijk niet zo lief om te zeggen. Ik denk dat de meneer het niet zo leuk vindt.” Dat was blijkbaar voor meneer niet genoeg, want hij diende razendsnel van repliek: “En jij bent lelijk!” 

Trots lachte hij en zich heen of iemand het gehoord had. En uiteraard had iedereen het gehoord. Niemand lachte. “Dat was ook niet echt lief,” floepte ik eruit. “O!? Mevrouw is beledigd?” Ineens hoorde ik mezelf zeggen dat ik wel genoeg had aan mijn eigen kinderen opvoeden, maar dat het fijn zou zijn als hij een beetje aardiger kon doen. 

Met klotsende oksels en trillende handen liep ik verder. In het volgende gangpad, tussen de cornflakes en de ontbijtkoek, stond er ineens een oudere mevrouw naast ons. Ze aaide Evi over haar hoofd, en legde een hand op mijn rug. “Maar jij hebt ze tenminste nog,” zei ze. “Die van jou kan je nog vastpakken en knuffelen.” Zonder enige uitleg wist ik wat ze bedoelde. Gisteren hoorden vier paar ouders dat hun kind nooit meer thuis zou komen. Een hele gemeenschap staat op zijn kop vanwege een verschrikkelijk ongeluk. Elke ouder die ik ken krijgt koude rillingen van zo’n verhaal en kijkt even naar zijn of haar eigen kind. Stelt zich voor zelf de politie aan de deur te krijgen om te zeggen dat je kind niet meer leeft. Ergens voelde ik dat er nog een diepere pijn zat bij haar. Alsof het haar herinnerde aan zelf geleden leed. Maar mijn ene kind ontsnapte richting de zorgvuldig opgestapelde wijnflessen en de andere kon ook wel een flesje gebruiken. Melk dan. Ik kon het haar niet vragen, maar ik gaf haar gelijk. 

Gelukkig heb ik ze nog. Ik wilde het wel schreeuwen naar de meneer in kwestie. Ik gun hem de ontregelende aanwezigheid van zo’n goudeerlijk kind in zijn leven. Ik gun hem mildheid, verwondering en lichtheid. 

De moraal? Die is er niet.  Ik weet niet wat ik moet zeggen. Zo’n ongeluk als in Oss leent zich niet voor goedkope cliché’s of makkelijke conclusies. 

Behalve dit: laten we in Godsnaam een beetje lief zijn voor elkaar. Vandaag is alles wat we hebben. 

Deel dit:
Share