IMG_2684

Neonletters in de mist

Het was mistig. Zo mistig dat ik het gevoel had dat ik de druppels opzij moest duwen, alsof ik door een dikke wolk fietste. Ook was het koud genoeg om behoorlijk ongemotiveerd naar buiten te gaan – als ik niet had afgesproken met een lieve vriendin, zou ik zo lang mogelijk met een dekentje op de bank zijn blijven zitten.

We hadden afgesproken in wat heel wat jaartjes mijn favoriete cafe (als je er vooral koffie drinkt mag je het denk ik geen stamkroeg noemen?) was in Amsterdam, vlakbij het station. Ook in de grote stad hingen de wolken laag. Mijn peuter zou zeggen: “Mama, de lucht is helemaal wit geworden!”

Zo aan het eind van het jaar lijken mijn gedachten ook niet zo helder. Het was weer zo’n jaar: veel gebeurd, veel nagedacht, gelezen, geloofd, getwijfeld, gepraat en gezwegen. Ik ben weleens een beetje jaloers op mensen die alles zo lekker overzichtelijk lijken te hebben: aan het begin van het jaar een paar goede voornemens en duidelijke doelen, aan het eind van het jaar alles evalueren en met een bijgesteld plan het nieuwe jaar in. Of bestaan die mensen alleen op social media?

Mijn bijbelleesrooster was half januari al kwijt, mijn geloofsleven soms getekend door twijfel en dan weer door enthousiasme. Mijn plannen om in de kerstvakantie eens lekker de tijd te nemen om mijn leven op een rijtje te zetten en tegelijkertijd de rommel in huis op te ruimen werden onderbroken door triviale zaken als familiebezoek, gezelligheid, knutselen met de peuter en veel naar buiten. En stiekem ook wat Netflix. O wacht, niks triviaals aan eigenlijk: dat is juist al het fijne van vakantie! Maar goed, eind 2017 is mijn hoofd, mijn huis en mijn leven dus niet overzichtelijker dan aan het begin.

Daarover mijmerend liep ik vanaf het Centraal Station richting het cafe. Al vanaf het stationsplein zag ik de neonletters bovenop het gebouw oplichten, zelfs door de mist: “GOD ROEPT U – JESUS LOVES YOU.”

De eerste woorden stammen nog uit de tijd dat het gebouw gebruikt werd door het Leger des Heils, zo op de hoek van de wallen. Vanaf de jaren ’80 – na een flinke tijd leegstand – kwam het in het bezit van zendingsorganisatie Jeugd met een Opdracht. Dat herstelde de letters in hun oude glorie en voegde er de tweede zin aan toe. Als een boodschap aan de stad.

Al wel duizend keer heb ik die letters gezien. Meestal vallen ze me niet eens op. Ze doen me niet zo veel. Soms, door de ogen van toeristen die ik meeneem, zie ik ze weer even. “O ja, het JESUS LOVES YOU gebouw, dat is waar ook.”

Maar vandaag raakten de woorden me, in al hun eenvoud. Misschien is dit wel het enige dat ik echt hoef te weten. God roept mij. Niet met een harde donderstem uit de hemel, niet met een grootste en meeslepende opdracht of ‘roeping’. Maar Hij zoekt wel mijn aandacht. Hij reikt uit om contact te maken. En ik ervaar het als een vraag: “Ben je wakker? Ben je erbij? Let je op? Ben je echt aanwezig?” En dan de simpele boodschap dat Jezus van me houdt. Zo vaak gehoord dat het bijna cliché klinkt. Maar ik heb het nodig. Ik moet er af en toe aan herinnerd worden dat mijn identiteit verweven is met de liefde van God. Dat ik in alle onzekerheid en onduidelijkheid mag weten dat ik geliefd ben, dat ik gezien word. Nog voordat ik een lijstje maak met goede voornemens of dingen die ik wil bereiken.

Het doet me denken aan het verhaal in Matteüs 3, over de doop van Jezus. Nog voordat Jezus ook maar een wonder verrichtte, liet hij zich door Johannes de Doper onderdompelen in de Jordaan. Zodra hij boven water komt, scheurt de hemel open (ik stel me een mistige dag door, waar opeens de zon doorbrak), daalt er een duif neer en hoort iedereen een stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde!”

Jezus wist zich geroepen door de Vader, leefde met volledige aandacht en aanwezigheid, en nog voordat hij die roeping ten volle uitleefde, wist hij zich geliefd.

Of het nou een open hemel, en stem en een duif is, of dat het neonletters zijn in de mist, God weet als het nodig is altijd de aandacht te trekken. En mijn enige echte voornemens zijn om naar die stem te luisteren, en in neonletters in mijn gedachten te houden dat Hij me zoekt en van me houdt.

Gelukkig 2017!

the-amsterdam-project

The Amsterdam Project: waarom ik erin geloof

Beau heeft het voor elkaar. De afgelopen weken ben ik stukje bij beetje steeds meer van hem gaan houden.

Toen zijn programma ‘The Amsterdam Project’ een maand of anderhalf geleden begon, was ik skeptisch. Een realityserie waarin mensen geholpen worden met een smak geld, dit keer een aantal daklozen, dat is toch al een uitgemolken concept? Lekker inzoomen op het drama, en dan dankbaar en huilend de weldoener omhelzen. Eind goed, al goed. Juist ook door mijn werk in de Maatschappelijke Opvang, was ik een kritische kijker. Hoe zou deze wereld afgeschilderd worden? Ik was bang voor gebrek aan realisme, en voor het stigmatiseren van een enorm complexe doelgroep, alleen uit commercieel belang.

Huiltelevisie?

Voor wie niet gekeken heeft: dit programma blijkt anders in elkaar te zitten. Misschien omdat het in nauwe samenwerking met Rokus Loopik (binnen de Amsterdamse hulpverlening en ver daarbuiten een soort beroemdheid) en het Leger des Heils is, misschien vanwege de betrokken maar verre van dweperige Beau. Maar zeker ook door de selectie van ‘kandidaten’. Het concept is eenvoudig – vier Amsterdamse daklozen krijgen een smak geld, en toegang tot een aantal coaches/hulpverleners, en we kijken toe hoe ze zichzelf gaan helpen. Overigens niet helemaal nieuw, en in het buitenland al bewezen effectief.

Het verschil met wat we al kennen aan hulpverlening is groot. Juist omdat het nu eens niet uitgaat van wat hulpverleners vinden en van welke programma’s er beschikbaar zijn. De deelnemer is zélf verantwoordelijk. En mag dus echt zelf kiezen waar het geld aan besteed wordt. En we zien allemaal dat zoiets niet altijd positief uitpakt…

Tijdens het kijken komen er allerlei vragen bij me op. Hoe zijn de deelnemers geselecteerd? Op zieligheid? Kans van slagen? Of ze mediageniek genoeg waren? In ieder geval is Beau – of de redactie – erin geslaagd een enorm gevarieerde groep mensen te vinden. En daar hebben ze goed aan gedaan. Want als het programma ergens in slaagt, is het wel het laten zien dat vrij weinig daklozen voldoen aan het stereotype beeld van een man met een lange baard die slaapt onder een kartonnen doos. Door de afleveringen heen, leer je ze steeds beter kennen. Ik heb steeds gekeken met Twitter binnen handbereik en hashtag #theamsterdamproject op refresh. Want ik wilde weten hoe hier naar gekeken werd. De reacties waren soms hartverwarmend, soms verschrikkelijk. De deelnemers werden zielig gevonden, of een slappe zak, een eikel, een klaploper. Er werd hen een gratis huis toegewenst, of (in het geval van Alan en Marco) een schop onder hun kont. Wat me opviel: hoe groter de gunfactor, hoe milder de taal.

De gunfactor bestaat niet, toch?

In de echte wereld doet de gunfactor er niet toe. Dat wil zeggen, dat zou niet zo moeten zijn. Maar om heel eerlijk te zijn is dat soms lastig. Mijn werk bestaat voor een groot deel uit intakegesprekken houden met mensen die vanwege hun dakloosheid aankloppen bij het Leger des Heils. En die mensen zijn net zo verschillend als deze groep. Sommigen zou je vooral een dikke knuffel willen geven, maar er zijn er ook bij waar ik weinig warme gevoelens voor heb. Iemand die vindt dat ‘die asielzoekers maar weg moeten, want ze pikken onze huizen in’, of iemand die dakloos is geworden vanwege huiselijk geweld – en dan niet als slachtoffer. Hoe kijk je dan met betrokkenheid, maar ook professioneel naar de situatie?

Beau doet in ieder geval zijn best. Hij is echt, hij is betrokken, soms tot slapeloze nachten aan toe. En daarin herken ik wel iets. Ik voel ook de frustratie van iemand willen helpen, die zelf andere keuzes maakt. Ik loop ook tegen bureaucratische papierwinkels aan, alleen maar omdat iemand geen inschrijfadres heeft. Ik denk dat hij in de afgelopen weken – die in werkelijkheid  meer dan een jaar aan materiaal weergeven, heeft gezien dat het bijna nooit volledig ‘eigen schuld’ is. En tegelijkertijd heeft iedereen ook eigen verantwoordelijkheid. Daarom raakt het me dat de 68-jarige Lolle meer dan 10 jaar buiten geleefd heeft, en dan uiteindelijk “met opgewekte tegenzin” bij het Leger des Heils woont. Het inspireert me dat Cheyenne anderen wil helpen door de ervaring die zij inmiddels heeft. Het maakt me boos dat Marco zo bang is voor schuldeisers dat hij zijn net betrokken huisje weer verlaat en kiest voor een zwervend bestaan. Ik word verdrietig dat Alan breekt met zijn moeder, die zelf zo haar best doet om haar zoon te geven wat hij nodig heeft. En ik doe een klein vreugdedansje als ik Gerrie eindelijk een vrachtwagen zie besturen, al lijkt het dat hij er zelf nog niet zo in gelooft.

Gezonde nieuwsgierigheid

Veel dingen zie je niet. En dat is misschien juist wel goed. Daardoor ga je vragen stellen. Hoe zou het verder gaan? Hoe zijn de deelnemers tot hun keuzes gekomen? Wat motiveert ze? Waardoor laten ze zich uit het veld slaan?

Ik hoop dat ik dat als hulpverlener mee mag nemen. Ik wil altijd nieuwsgierig blijven. En al ben ik niet onvermoeibaar, ik wil altijd de mens achter de problemen blijven zien. En waar die mens juist is kwijtgeraakt, mijn best doen om er weer iets van te vinden. Dat is herstel.

Dat de laatste scene een tranentrekkende omhelzing is tussen Lolle en Beau is hen vergeven. Ik val er zelfs volledig voor. En stiekem huil ik ook een beetje mee. Hulpverleners zijn net mensen.

nicu preemie

Over harde logeerbedden, lastige ouders en vechten voor je kind

Vier jaar geleden was ik zwanger. Het was nog maar pril. Zo pril dat alleen mijn man en ik het nog maar wisten, we probeerden net een beetje aan het idee te wennen.

Vier jaar geleden dacht ik na over hoe het zou zijn: ik als moeder. Het ene moment hield ik het bijna niet van enthousiasme en geluk, het volgende moment sloeg dat om in totale paniek. En die gevoelens wisselden ongeveer elk kwartier. Hou zou het klinken, gehuil (of gelach) van een kindje in ons huis? Welke kleur schilderen we de babykamer?  Zou ik wel geschikt zijn als moeder? Zou ik meteen van zo’n frummeltje kunnen houden? Hoe werkt dat eigenlijk met die luiers, en met slaapjes, en wat nou als er iets niet goed gaat? 

Geen roze wolk

Vandaag zat ik in een zaal vol artsen, verpleegkundigen en ziekenhuismanagers. Ik was als ervaringsdeskundige bij een symposium van het Ronald McDonald Kinderfonds. Ervaringsdeskundige, een titel die je niet verdient door intensieve literatuurstudie, tentamens en scripties. Ik werd het vooral door dagen, weken, maanden zelfs door te brengen in kleine ziekenhuiskamertjes. Door telefoonnummers van twee ziekenhuizen als favoriet in mijn telefoon te zetten. Ik werd deskundig door ambulanceritjes, indicatie-aanvragen, herhaalrecepten en oncomfortabele ziekenhuislogeerbedden.

Waar ik vier jaar geleden nog geen idee had hoe het moederschap zou voelen, ben ik inmiddels een heel stuk wijzer geworden. Er was geen roze wolk toen babylief zich na net zes maanden zwangerschap plotseling aandiende. Op de afdeling neonatologie was geen beschuit met muisjes. Niet omdat we die vies vonden, maar omdat we niet durfden: we wisten de eerste weken nog niet of ons piepkleine meisje het zou redden.

Moeder zijn was niet wat ik me ervan voorgesteld had. Het was heftiger, moeilijker, en zo enorm zwaar. Ik had gehoopt op lekker knuffelen, borstvoeding geven en schattige rompertjes. In plaats daarvan mocht ik haar eens in de paar dagen een uurtje vasthouden, zat ze vol met draadjes en slangetjes, en was de allerkleinste maat luier al veel te groot. De kleur van de babykamer werd ineens een stuk minder belangrijk, het was overleven geblazen. En dat bleef het nog heel lang. Maar behalve al die moeilijke dingen, leerde ik ook dat het met die liefde wel goed zat. En dat ik duizend keer sterker was dan ik ooit had gedacht.

Lastige ouders

Op het symposium keek ik om me heen. Al die mensen zaten daar om meer te leren over ‘family centered care’. Oftewel: hoe kun je het héle gezin betrekken bij de zorg voor zieke kinderen. Ik was niet de enige ervaringsdeskundige. Er waren nog een stuk of acht andere vaders en moeders die net als ik hun verhaal kwamen vertellen. Je kon ze er zo uit pikken: de ouders waren degenen die het hardst knikten en humden bij de – al te herkenbare – verhalen. Allemaal probeerden we iets uit te leggen over hoe het voelt om de zorg voor je kind aan een ander over te moeten laten. We waren expert geworden zonder opleiding. We waren allemaal weleens als ‘lastig’ bestempeld omdat we in discussie gingen met een arts. We hebben stuk voor stuk ooit uitgehuild bij een verpleegkundige die ’s avonds weer gewoon naar huis ging.

Een van de sprekers vertelde hoe ze met haar angstige kind op de arm mee liep richting operatiekamer. Halverwege de gang hing een bordje: “Absoluut voor niemand toegang na dit punt.” Ze liep door, met de groep witte jassen mee. Tot een verpleegkundige haar staande hield en aan het kind begon te sjorren. Er werd gewezen naar het bordje, en de ze moest haar kind overdragen aan onbekende armen. Wat ze daarover zei raakte me enorm: “Ik dacht niet dat ik absoluut niemand was.”

Koude douche

Ik slikte, had even oogcontact met de moeder naast me. Allebei kenden we dit soort momenten, en fluisterend wisselden we die uit, terwijl de spreker op het podium weer verder ging. Ik fluisterde over die keer dat babylief met de ambulance naar het kinderziekenhuis was gebracht. Gillende sirenes, grote paniek. Wij pasten niet in de ambulance, dus moesten er met de auto achteraan. In de file, uiteraard. Toen we minstens een uur later eindelijk bij haar op de Intensive Care aankwamen was er niemand om ons welkom te heten. We gingen maar ergens naar binnen en vonden haar bedje. Een verpleegkundige was met een ernstig gezicht allerlei capriolen aan het uithalen met pleisters en draadjes. Hij sprak geen woord. De eerste gedachte die door mijn hoofd schoot was: “Ze leeft dus nog.” Niemand die ons dat vast had verteld. Pas toen wij voorzichtig vroegen hoe het met haar ging, keek hij wat verstoord op. Ik weet niet eens meer precies was hij zei, maar wel hoe het voelde. Als een koude douche.

Toen ik bekomen was van die kille, zakelijke reactie, voelde ik iets anders: er kwam een enorm soort kracht in me naar boven. “Het is toevallig wel mijn kind waar je zo aan staat te sleutelen!” Ik voelde me als een leeuwin. Kom maar op: ik vecht voor mijn kind. Dat gevoel is niet meer overgegaan, en eerlijk gezegd wil ik dat ook helemaal niet.

Zo gefrustreerd en verdrietig als ik toen was, zo bemoedigd ben ik als ik om me heen kijk. Ik zie overal leeuwen en leeuwinnen. Partners in de strijd. En ik zie mensen die naar ons willen luisteren. Verpleegkundigen die niet geloven in lastige ouders. Artsen die vragen hoe het met ons gaat. Ik zie mensen die dag en nacht hun uiterste best doen om onze kinderen een beter leven te geven. Samen met ons.

Ik heb er niet om gevraagd om ervaringsdeskundige te worden. Liever had ik die roze wolk gehad, een moederschap waarin de grootste uitdagingen zitten in verkoudheden en driftbuien in de supermarkt. Toch ben ik dankbaar, zelfs trots.  En vandaag voel ik me gehoord. En ik schrijf het citaat van de dag, door Maya Angelou, op in mijn mentale notitieboekje:

“I’ve learned that people will forget what you said, people will forget what you did, but people will never forget how you made them feel.”

 

(Afbeelding: Rachel Barehl)

wof-post-0808-shauna-video-2

Leesvoer: Present over Perfect

Sommige mensen zijn geboren om verhalen te vertellen. Van die schrijvers die je het gevoel geven dat je, in plaats van in je eentje thuis op de bank, ergens samen in een cafeetje zit – latte macchiato erbij – en een goed en eerlijk gesprek over het leven hebt.

Wat mij betreft is Shauna Niequist er zo eentje. Ik kwam haar blog een tijdje geleden tegen, en viel meteen voor haar idee om een boek met ‘devotionals’ te combineren met recepten. Omdat genieten van het goede leven soms betekent dat je een bijbeltekst bestudeert, en een andere keer dat je een geurig, kruidig tomatensoepje maakt.

Haar stijl is altijd persoonlijk. Ze neemt je mee in haar eigen leven, haar ontdekkingen over God, relaties, schoonheid, omgaan met de hobbels op je weg, enzovoort. Zo ook in haar nieuwe boek: Present over Perfect. Zoals de titel al een beetje verraadt, maakt ze een statement over bewust, intentioneel leven. Ze pleit voor aanwezig zijn in het moment en daarin schoonheid ontdekken, in plaats van het oneindige streven naar perfectie.

Eigenlijk weten we het diep van binnen allemaal wel. En daarin ligt het gevaar dat het een cliché boek wordt met een opsomming van tips over mindfulness. Maar juist de combinatie van haar supereerlijke blik in haar eigen leven en de lessen die woorden die ze vindt om met die ervaringen anderen te inspireren, maken dat het nooit saai is.

Shauna en ik lijken niet in alles op elkaar. Zij beschrijft zichzelf als uitgesproken extravert, met alle bijbehorende uitdagingen. Ik ben juist introvert, wat ook niet altijd simpel is. Toch herken ik veel in haar verhaal. De zoektocht naar balans, streng zijn voor jezelf, willen voldoen aan een beeld dat niet waar te maken is.

“If I’m honest, I let words like responsible and capable govern many of my years. and what good are they? Words that I’m choosing in this season: passion, connection, meaning, love grace, spirit.”

Dat vind ik een mooi streven. Het is geen to-do-list van alles wat anders moet in je leven. Wel is het een spiegel die je laat zien welke waarden je diep van binnen voelt, en in hoeverre je die ook uitleeft.

Het boek heeft een open einde, ze brengt je een stuk verder, maar lost niet alles op. Een afgerond verhaal zou ook ongeloofwaardig zijn, alsof je ooit écht gearriveerd bent. En daardoor voelt het als een uitnodiging om niet klakkeloos haar zoektocht te kopiëren, maar je eigen avontuur aan te gaan:

“The bad news is that there is no finish line here, no magical before-and-after […]. But there’s good news too: if we just keep coming back to the silence, if we keep grounding ourselves, as often as we need to, in God’s wild love, if we keep showing up and choosing to be present in both the mess and in the delight, we will find our way home, even if the road is winding, and full of fits and starts.” 

Ik hoop van harte dat er binnenkort een Nederlandse versie komt. Ik ben al aan het brainstormen over een goede titel…

Present Over Perfect Boek omslag Present Over Perfect
Shauna Niequist
Religion

Te koop bij o.a. Bol.com

struiksma_133

Brus

Een paar weken geleden kwam ik mijn kleuterjuf van vroeger tegen. Oké, niet geheel toevallig: het was op een reünie. Mijn kleutertijd zo ongeveer de leukste tijd van mijn leven geweest. Wat, als ik dat zo lees, eigenlijk best treurig overkomt… Ik bedoel vooral dat ik nog steeds dingen weet die ik van haar geleerd heb. Uitspraken als “geef jezelf maar een schouderklopje” zingen nog steeds in mijn hoofd rond. En ik heb levendige herinneringen aan de poppenhoek en aan de kerstvieringen. Toen je nog met echte kaarsjes mocht – doodeng, en dan wekenlang oefenen op dat ene liedje.


Maar er is ook iets anders waardoor ik me haar zo goed herinner, iets van een aantal jaar later. Ze heeft namelijk niet alleen mij, maar ook mijn beide zusjes in de kleuterklas gehad. Dat was helemaal niet zo vanzelfsprekend als het lijkt, want Anne, mijn 4 jaar jongere zus, is verstandelijk beperkt. 

In het begin kreeg ik daar niet zoveel van mee. Ze was voor mij vooral de leuke baby om mee te tutten (of alvast uit bed te halen en boven de trap te laten bungelen, omdat ik mama wilde ‘helpen’). Pas toen ze een jaar of drie was ging het echt flink mis. Ze kreeg heftige epileptische aanvallen, die ik nooit van mijn netvlies zal krijgen. Vanaf toen draaide niet alles, maar wel veel om Anne.

Ze ontwikkelde zich nog wel zo ver dat ze dus begon in een reguliere kleuterklas. Voor mij de gewoonste zaak van de wereld om samen met mijn zusje naar school te gaan, voor mijn ouders waarschijnlijk enorm spannend: hoe lang zou ze het redden? En wat zou er daarna komen? Juf Agaath ging het avontuur aan. En heel pedagogisch legde ze aan de klas uit dat Anne soms ‘aanvalletjes’ had, en vaak naar het ziekenhuis moest. Ze had zelfs een klein boekje gemaakt en las daar dan uit voor.

Dat ene schooljaar is niet eens een heel jaar geworden. Al snel werd duidelijk dat het flink mis was met Anne, en moest ze opgenomen worden in een epilepsiecentrum. Voor mijn ouders natuurlijk enorm heftig. Pas nu ik zelf moeder ben van een zorgintensieve peuter lukt het me om een beetje in te voelen hoe hartverscheurend het kan zijn om de zorg voor je kind uit te moeten besteden. Maar voor mij als oudere zus was het ook indrukwekkend. Al dat verdriet van mijn ouders, de onzekere toekomst, en intussen maar gewoon kind proberen te zijn.

En dat is waar juf Agaath voor mij weer in beeld kwam. Als eerste hielp ze mij zien wat het is om een brus te zijn. Mocht je dat woord niet kennen, een brus is niet iemand uit de hoofdstad van België, maar een samenvoeging van ‘broer’ en ‘zus’ die gebruikt wordt voor broers en zussen van mensen met een beperking. Er zijn tegenwoordig aardig wat lotgenotengroepen en activiteiten, en er is zelfs een goed boek over geschreven: check www.brussenboek.nl.

boek-groot-fw_2

Juist in de periode dat iedereen aandacht had voor Anne, en ik mij steeds meer terugtrok in mijn schulp (bekend gedrag bij brussen: vooral niet opvallen, geen aandacht trekken, papa en mama hebben al genoeg aan hun hoofd), schreef zij mij een brief. Een echte brief, helemaal alleen voor mij. Daarin schreef ze dat ze veel moest denken aan mij, dat het allemaal heel ingewikkeld was, dat de komende tijd niet makkelijk zou worden. Ze schreef dat ik niet moest vergeten dat ik ook belangrijk was en de moeite waard. En er zat een kadootje bij: een pluchen konijn met een jurkje aan. Helemaal alleen voor mij, een soort troostknuffel.

Zou ze enig idee hebben dat ik die brief altijd bewaard heb? Dat die knuffel zelfs tot in mijn studententijd steeds met me meeverhuisd is? Hoe ingewikkeld de jaren daarna ook werden – want we hadden toen inderdaad nog geen flauw idee – ergens was er altijd dat stemmetje in mijn hoofd: jij doet ertoe.

Vorige week zag ik haar dus weer. Ze is allang met pensioen. Heeft honderden kleuters gehad, waarvan de meesten dus inmiddels ruim de 30 zijn gepasseerd. Maar meteen liep ze op me af: “Hoe kan ik jou nou ooit vergeten?” Ze vroeg uiteraard hoe het was met Anne. En schrok zichtbaar van de foto die ik liet zien. Het is ook niet niks, hoe ze eigenlijk sindsdien alleen maar achteruit is gedaan, en nu functioneert op het niveau van een kind van nog geen jaar. Maar ze vroeg ook hoe het met mij ging. Zei dat ze altijd nog aan me gedacht heeft. Niet uit een soort medelijden, maar oprechte betrokkenheid. Omdat sommige mensen voor altijd een warm plekje in je hart verdienen.

Inmiddels ben ik al 30 jaar brus. En mijn jongste zus, die vijf jaar na Anne geboren is heeft ook zo haar ervaring. Anders dan die van mij, maar daardoor niet minder uitdagend. Brus zijn heeft zo zijn ups en downs. Maar door juf Agaath zal ik nooit vergeten dat ik gezien ben, en geliefd. En dat gaf me een stevige basis.

Lang leve brussenliefde!