The Amsterdam Project: waarom ik erin geloof

Beau heeft het voor elkaar. De afgelopen weken ben ik stukje bij beetje steeds meer van hem gaan houden.

Toen zijn programma ‘The Amsterdam Project’ een maand of anderhalf geleden begon, was ik skeptisch. Een realityserie waarin mensen geholpen worden met een smak geld, dit keer een aantal daklozen, dat is toch al een uitgemolken concept? Lekker inzoomen op het drama, en dan dankbaar en huilend de weldoener omhelzen. Eind goed, al goed. Juist ook door mijn werk in de Maatschappelijke Opvang, was ik een kritische kijker. Hoe zou deze wereld afgeschilderd worden? Ik was bang voor gebrek aan realisme, en voor het stigmatiseren van een enorm complexe doelgroep, alleen uit commercieel belang.

Huiltelevisie?

Voor wie niet gekeken heeft: dit programma blijkt anders in elkaar te zitten. Misschien omdat het in nauwe samenwerking met Rokus Loopik (binnen de Amsterdamse hulpverlening en ver daarbuiten een soort beroemdheid) en het Leger des Heils is, misschien vanwege de betrokken maar verre van dweperige Beau. Maar zeker ook door de selectie van ‘kandidaten’. Het concept is eenvoudig – vier Amsterdamse daklozen krijgen een smak geld, en toegang tot een aantal coaches/hulpverleners, en we kijken toe hoe ze zichzelf gaan helpen. Overigens niet helemaal nieuw, en in het buitenland al bewezen effectief.

Het verschil met wat we al kennen aan hulpverlening is groot. Juist omdat het nu eens niet uitgaat van wat hulpverleners vinden en van welke programma’s er beschikbaar zijn. De deelnemer is zélf verantwoordelijk. En mag dus echt zelf kiezen waar het geld aan besteed wordt. En we zien allemaal dat zoiets niet altijd positief uitpakt…

Tijdens het kijken komen er allerlei vragen bij me op. Hoe zijn de deelnemers geselecteerd? Op zieligheid? Kans van slagen? Of ze mediageniek genoeg waren? In ieder geval is Beau – of de redactie – erin geslaagd een enorm gevarieerde groep mensen te vinden. En daar hebben ze goed aan gedaan. Want als het programma ergens in slaagt, is het wel het laten zien dat vrij weinig daklozen voldoen aan het stereotype beeld van een man met een lange baard die slaapt onder een kartonnen doos. Door de afleveringen heen, leer je ze steeds beter kennen. Ik heb steeds gekeken met Twitter binnen handbereik en hashtag #theamsterdamproject op refresh. Want ik wilde weten hoe hier naar gekeken werd. De reacties waren soms hartverwarmend, soms verschrikkelijk. De deelnemers werden zielig gevonden, of een slappe zak, een eikel, een klaploper. Er werd hen een gratis huis toegewenst, of (in het geval van Alan en Marco) een schop onder hun kont. Wat me opviel: hoe groter de gunfactor, hoe milder de taal.

De gunfactor bestaat niet, toch?

In de echte wereld doet de gunfactor er niet toe. Dat wil zeggen, dat zou niet zo moeten zijn. Maar om heel eerlijk te zijn is dat soms lastig. Mijn werk bestaat voor een groot deel uit intakegesprekken houden met mensen die vanwege hun dakloosheid aankloppen bij het Leger des Heils. En die mensen zijn net zo verschillend als deze groep. Sommigen zou je vooral een dikke knuffel willen geven, maar er zijn er ook bij waar ik weinig warme gevoelens voor heb. Iemand die vindt dat ‘die asielzoekers maar weg moeten, want ze pikken onze huizen in’, of iemand die dakloos is geworden vanwege huiselijk geweld – en dan niet als slachtoffer. Hoe kijk je dan met betrokkenheid, maar ook professioneel naar de situatie?

Beau doet in ieder geval zijn best. Hij is echt, hij is betrokken, soms tot slapeloze nachten aan toe. En daarin herken ik wel iets. Ik voel ook de frustratie van iemand willen helpen, die zelf andere keuzes maakt. Ik loop ook tegen bureaucratische papierwinkels aan, alleen maar omdat iemand geen inschrijfadres heeft. Ik denk dat hij in de afgelopen weken – die in werkelijkheid  meer dan een jaar aan materiaal weergeven, heeft gezien dat het bijna nooit volledig ‘eigen schuld’ is. En tegelijkertijd heeft iedereen ook eigen verantwoordelijkheid. Daarom raakt het me dat de 68-jarige Lolle meer dan 10 jaar buiten geleefd heeft, en dan uiteindelijk “met opgewekte tegenzin” bij het Leger des Heils woont. Het inspireert me dat Cheyenne anderen wil helpen door de ervaring die zij inmiddels heeft. Het maakt me boos dat Marco zo bang is voor schuldeisers dat hij zijn net betrokken huisje weer verlaat en kiest voor een zwervend bestaan. Ik word verdrietig dat Alan breekt met zijn moeder, die zelf zo haar best doet om haar zoon te geven wat hij nodig heeft. En ik doe een klein vreugdedansje als ik Gerrie eindelijk een vrachtwagen zie besturen, al lijkt het dat hij er zelf nog niet zo in gelooft.

Gezonde nieuwsgierigheid

Veel dingen zie je niet. En dat is misschien juist wel goed. Daardoor ga je vragen stellen. Hoe zou het verder gaan? Hoe zijn de deelnemers tot hun keuzes gekomen? Wat motiveert ze? Waardoor laten ze zich uit het veld slaan?

Ik hoop dat ik dat als hulpverlener mee mag nemen. Ik wil altijd nieuwsgierig blijven. En al ben ik niet onvermoeibaar, ik wil altijd de mens achter de problemen blijven zien. En waar die mens juist is kwijtgeraakt, mijn best doen om er weer iets van te vinden. Dat is herstel.

Dat de laatste scene een tranentrekkende omhelzing is tussen Lolle en Beau is hen vergeven. Ik val er zelfs volledig voor. En stiekem huil ik ook een beetje mee. Hulpverleners zijn net mensen.

Deel dit:
Share